Arbeidsmigratie in de Limburgse mijnen
De opkomst van arbeidsmigratie
In 1901 ontdekte André Dumont steenkool in As, een keerpunt voor de Limburgse geschiedenis. De kleine, overwegend landelijke bevolking werd voor het eerst geconfronteerd met de moderne industriële wereld. In totaal ontstonden er zeven Limburgse mijnen in Beringen, Eisden, Houthalen, Waterschei, Winterslag, Zolder en Zwartberg. Ook sociaal en cultuur betekende dit een volledige ommekeer met een grote instroom van arbeidsmigranten. Vanaf de jaren 1920 was er namelijk een grote nood aan extra werkkrachten in de mijnen, en dan vooral voor het ondergrondse werk.
Cijfers spreken over een kwart miljoen arbeidsmigranten doorheen de 20ste eeuw. Deze arbeidsmigranten kwamen uit verschillende gebieden: Italië, Spanje, Griekenland, Oost-Europa, de Balkan, Turkije en Marokko. Desondanks bleef de rekrutering van voldoende mijnwerkers gedurende de hele periode een probleem door het hoge verloop van ondergrondse werkkrachten, ondanks de aantrekkelijke lonen. Het was dan ook zwaar en ongezond werk. Tot de sluiting van de laatste mijn van Zolder in 1992 bleef er dus een nood aan een geleidelijke toestroom van arbeidsmigranten.
Maar hoe gingen de Limburgse inwoners, het bestuur en de arbeidsmigranten zelf om met deze nieuwe realiteit? Een analyse van de documenten die we in het Provinciaal Archief Limburg bewaren, geeft hier meer inzicht in. De inventaris hierrond geeft weer welke dossiers hiervoor gebruikt zijn en geeft een uitgebreid beeld van alle documentatie over de koolmijnen en de mijnarbeiders.
Infrastructuur
Om de nieuwe arbeidsmigranten op te vangen was er veel nieuwe infrastructuur nodig. In onze documentatie merken we dan ook dat er in deze periode veel nieuwe projecten worden opgestart. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste.
Tuinwijken
De grote toestroom van nieuwe gastarbeiders moest gehuisvest worden, wat de overheid voor een grote uitdaging stelde. Het duurde dan ook lang voordat er een gestructureerde oplossing werd uitgewerkt. De eerste gastarbeiders werden ondergebracht in barakkenkampen met ondermaatse leefomstandigheden. Later verrezen grote tuinwijken met stenen woningen.
Deze woonwijken werden tuinwijken genoemd omdat ze bewust als groene zones werden ontworpen. De huizen kregen elk een voor- en achtertuin, waarin respectievelijk bloemen en groenten werden geteeld en door de mijnarbeiders onderhouden. De mijndirecties stimuleerden het tuinonderhoud onder andere door middel van wedstrijden voor de mooiste tuin. Het groen en de moestuinen moesten dan ook de vervuiling van de mijn tegengaan en de leefomstandigheden hygiënisch en gezond houden. Bovendien hield een eigen huis met tuin de arbeiders tevreden, wat zorgde voor minder verloop van het personeel. Na de sluiting van de mijnen werden de woningen uiteindelijk verkocht aan de bewoners, conform een oude belofte die de directies bij de opstart van de tuinwijken hadden gemaakt.
In totaal werden er zeven tuinwijken in Limburg gebouwd, Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Waterschei, Winterslag en Eisden.
Winterslag
Het Provinciaal Archief Limburg bewaart heel wat informatie over de zeven tuinwijken. Om als voorbeeld te staven, wordt er toegespitst op de tuinwijk van Winterslag, de eerste tuinwijk van Limburg.
Al in 1911 ontwierp de Brusselse architect Adrien Blomme het plan voor de tuinwijk van Winterslag. De spoorweg tussen Zwartberg en Waterschei kreeg hierbij een cruciale rol en werd de scheiding tussen het oostelijke en westelijke deel van de wijk. Veel aandacht ging hierbij naar oriëntatie ten opzichte van de mijnsites en het station, zodat een vlotte verbinding tussen woon-werkverkeer mogelijk was.
Blomme hield eveneens veel rekening met comfort, want de zon en de frisse lucht moesten compenseren voor het werk onder de grond. De wijken werden zo veel mogelijk in het groen aangelegd met bomen langs de verschillende straten, rozenaanplantingen tegen de gevels en hagen als afscheidingen. De huizen en gemeenschappelijke pleinen werden zo veel mogelijk uniform opgebouwd tot een samenhangend geheel. Dit zorgde voor een groen en coherent geheel, maar dat ging in de daaropvolgende bouwfasen gedeeltelijk verloren. Noodgedwongen werden deze fasen, vooral na de wereldoorlogen, eenvoudiger en goedkoper uitgevoerd. Hierdoor ging de oorspronkelijke structuur grotendeels verloren. In het oudste deel is die samenhang echter nog duidelijk zichtbaar.
Tuinwijk van Winterslag in het archief
Het Provinciaal Archief Limburg bewaart heel wat interessante stukken over de tuinwijk van Winterslag, vanaf de uitbreidings- en herstellingswerken na de Tweede Wereldoorlog.
Zo werden er nieuwe wegen en riolering aangelegd van 1948 tot 1964, waarvan het archief diverse documenten bewaard, zoals de briefwisseling van de gouverneur, van de burgemeester van Genk, van het Ministerie van Openbare Werken en van de ingenieur, verslagen en besluiten van de gemeenteraad, besluiten van deputatie, koninklijke besluiten, processen-verbaal van de werken, verslagen en inschrijvingen van de openbare aanbestedingen, overeenkomsten, facturen, vorderingsstaten, briefwisseling en akkoorden van de NV Kolenmijnen Winterslag, enzovoort.
Ook eventuele problemen of klachten komen in de dossiers aan bod. Zo werd er in 1957 een klacht ingediend tegen een wegenis die voor een deel gebouwd werd op de stoepen in eigendom van de bewoners. Hiervan bewaart het archief de klacht, de briefwisseling van de gouverneur en het antwoord van de ingenieur.
In de jaren 1970 werden er opnieuw uitbreidingen en wijzigingen aan de straten en riolering doorgevoerd. Dit dossier begint met een overname van een wegenis met een overeenkomst tussen stad Genk, NV Kempense Steenkoolmijnen te Houthalen en NV Steenkoolmijnen Luik. Opnieuw zijn er hierbij verschillende elementen van de werken te vinden: briefwisseling van de gouverneur, van de burgemeester, van de ingenieur en van het Ministerie van Openbare Werken, verslagen en besluiten van de gemeenteraad, facturen, vorderingsstaten en verslagen van de werken, verslag en inschrijvingen van de openbare aanbesteding, opmetingen, het lastenkohier, de overeenkomst voor de werken, enzovoort.
Ten laatste bewaart het provinciaal archief diverse plannen van de tuinwijk van Winterslag en de werken hieraan. Hierbij een lijst: Rooiplan (1963), 3 grondplannen riool- en wegeniswerken (1961), algemene overzichtsplannen over de kolenmijn en de tuinwijk (1958), algemeen plan Genk (1949), algemeen rooiplan (1949), algemeen rooiplan (1950), algemeen plan en zoneplan Genk (1950), Plan van rioolleidingen en huisaansluitingen (1974), algemeen rooiplan (1948), plan der grondinneming (1963), algemeen rooiplan (1957), algemeen plan Genk (1957), plan voor uitbreiding riool (1975), detailplan riolering (1950), werken riool- en wegeniswerken (1968), riool- en wegeniswerken plan (1961), grondplan rioleringswerken (1962), plan riool en wegeniswerken (1959), rioolplan (1958).
Mijnkerken
De tuinwijken groeiden snel met verschillende faciliteiten, zoals mijnkerken, cafés, ziekenhuizen, theaterzalen, winkels, scholen en restaurants met producten uit landen van herkomst, bakkers, scholen, enzovoort. De mijndirecties regelden hierbij alles: huisvesting, recreatie, winkels, activiteiten. Dit bracht minder zorgen, maar zorgde er ook voor dat ze het dagelijkse leven van haar werknemers konden controleren.
Vooral de mijnkerken hadden hierbij een belangrijke rol en waren vaak centraal gelegen in de tuinwijk. Bijna elke cité had zijn eigen mijnkerk, waar de mijnwerkers en hun familie elke zondag naar de mis gingen. Deze kerken bestaan nog steeds, de Sint-Theodarduskerk in Beringen (1939), De Sint-Barbarakerk in Eisden (1923), Heilig-Hart kerk in Winterslag (1923), Christus-Koningkerk in Waterschei (1923) en Sint-Albertus kerk in Zwartberg (1939).
Naast katholieke kerken werden er vaak ook Grieks-Orthodoxe kerken en moskeeën gebouwd in de tuinwijken. Aangezien het Provinciaal Archief Limburg vooral veel informatie bewaart over de mijnkerken, is er hiervoor gekozen om de aandacht op de kerken te leggen, specifiek de Sint-Theodarduskerk in Beringen.
Spoorwegen
Er kwam al snel een hoge nood voor efficiënt transport rond de nieuwe koolmijnen. Niet alleen steenkooltransport, maar ook het vervoer van materialen en het woon-werkverkeer van de mijnarbeiders werd heel belangrijk. Er werden dus al snel nieuwe treinsporen aangelegd, nieuwe buslijnen afgesproken en autosnelwegen gemaakt. Ook het Albertkanaal werd maximaal benut.
Vooral spoorlijnen kenden in deze periode een enorme groei met het zogenaamde "Kolenspoor" dat loopt van Maasmechelen tot in Beringen en de mijnen van Beringen, Zolder, Houthalen, Winterslag, Waterschei, Zwartberg en Eisden verbond met het hoofdnetwerk. Het station van As was hierbij de centrale draaischijf van waaruit mijnwerkers en de materialen werden verdeeld over de verschillende mijnsites.
Het Provinciaal Archief Limburg bewaart verschillende dossiers over deze nieuwe verbindingsspoorwegen. Hier wordt de aandacht gelegd op het verbindingsspoor tussen de koolmijn Zolder en het Albertkanaal.
Verbindingsspoor tussen koolmijn Zolder en het Albertkanaal in het archief
Het Provinciaal Archief Limburg bewaart verschillende dossiers over deze nieuwe verbindingsspoorwegen. Hier wordt de aandacht gelegd op het verbindingsspoor tussen de koolmijn Zolder en het Albertkanaal.
In 1937 werd er beslist om een nieuwe spoorweg aan te leggen tussen de koolmijn Zolder en het Albertkanaal om ontgonnen steenkool efficiënt af te voeren. In de archiefdossiers hierover zijn te vinden: briefwisselingen van de gouverneur en de burgemeester, besluiten van deputatie en de gemeenteraad, de afspraken die hierrond gemaakt zijn en plannen over hoe de spoorlijn exact moet lopen.
Ten laatste zijn er ook een aantal klachten van bezorgde burgers over de ligging van de spoorweg, in de documenten terug te vinden.
Rijkswachtverslagen
Het is nu duidelijk hoe besturen projecten uitvoerden om de grote instroom van arbeidsmigranten op te vangen. De infrastructuur en de omgeving veranderden dan ook volledig met het komst van de koolmijnen en de arbeidsmigranten. Maar hoe gingen de inwoners en de arbeidsmigranten zelf om met alle veranderingen?
In dit kader werden de rijkswachtverslagen die in het Provinciaal Archief Limburg worden bewaard van 1944-1971, geanalyseerd. Het gaat steeds om maandverslagen, opgesteld per arrondissement (Hasselt en Tongeren-Maaseik) door de bevoegde leidinggevende binnen de rijkswacht. Hierin kan er maand per maand gelezen worden waar (volgens de Belgische rijkswacht) de bevolking, zowel van Belgische als buiten-Belgische origine, van wakker lag.
De eerste berichten die over de mijnarbeiders terug te vinden zijn, handelen voornamelijk over stakingen en sociale conflicten in de steenkoolmijnen, met de tewerkstelling van Duitse en incivieke krijgsgevangenen. In de periode net na de wereldoorlogen ontstonden hier namelijk veel spanningen rond en dit kwam tot conflicten in en rond de mijnen.
Eveneens de verhoudingen tussen Italiaanse en Belgische mijnwerkers komen hier vaak aan bod. Zo zijn er verschillende berichten van de vreemdelingenpolitie, specifiek over Italiaanse mijnwerkers, de reactie van de Belgische burgers en de context hierrond. De nieuwe migratiegolf viel namelijk niet bij iedereen in goede aarde.
Ook de Poolse mijnmigranten worden meermaals vermeld in de maandverslagen, vooral in het kader van vergaderingen, betogingen en optochten. De politieke organisatie van Poolse mijnmigranten rond de Communistische Poolse Verenigde Arbeiderspartij (PZPR) werd namelijk nauwgezet in de gaten gehouden. Zeker vanaf 1946 wanneer de partij absoluut werd in de Poolse Volksrepubliek.
Doorheen deze periode zijn er ook veel verslagen over stakingen in de mijnen, zeker wanneer de eerste geruchten opkomen van de sluiting van de mijnen. Het bestuur hield deze stakingen scherp in de gaten. Ook incidenten en ongevallen in de mijnen werden steeds in de verslagen opgetekend.
Hieronder volgen de analyses van twee sprekende voorbeelden van zo'n maandverslagen.