Onderhoud en maaiwerken

Té is nooit goed. In het verleden werd de begroeiing volledig kort gemaaid omdat een beek vooral veel water moest transporteren. Tegenwoordig zoeken waterbeheerders naar een evenwicht tussen enerzijds water doorlaten en anderzijds water vasthouden. We willen zowel wateroverlast als verdroging tegengaan en zo ook de ecologie en de biodiversiteit bevorderen.

Om maatwerk te garanderen, heeft het provinciebestuur een zeer gedetailleerd systeem uitgewerkt. We hebben alle beken in ons beheer in kaart gebracht en die kaart ingedeeld in vakken. Elk vak krijgt het beheer dat daar optimaal en wenselijk is.

Bij de meeste waterlopen maaien we jaarlijks de begroeiing op de taluds, tussen 15 september en 15 december. Dat kan met een kraan en maaikorf of in moeilijk toegankelijke gebieden met de hand. Het maaisel verspreiden we gelijkmatig op de oever of voeren we af.

Sommige beken hebben meer kruidgroei en daar maaien we ook de bodem van de beek. Soms voeren we zelfs een extra maaibeurt uit tussen 15 juni en 1 augustus. In uitzonderlijke gevallen is slibruiming noodzakelijk voor de goede afvoer. In natuurgebieden of in bossen verwijderen we enkel zwerfvuil en ongewenste voorwerpen, zolang er stroomopwaarts geen hinder is.