De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strikt noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om in de site te navigeren, of om te voorzien in door jou aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van jouw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker op maat gemaakte reclame en andere informatie te tonen.

Algemene provinciebelasting bedrijven

Laatst aangepast vrijdag, 11 december 2020, 12.33 u.

1 Feitelijke en juridische gronden

Gelet op het provinciale meerjarenplan 2020-2025.

Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 van de Grondwet.

Gelet op het provinciedecreet van 9 december 2005, zoals gewijzigd.

Gelet op de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten.

Gelet op de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen.

Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.

Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd bij het decreet van 28 mei 2010 en het decreet van 17 februari 2012.

Gelet op het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, zoals herhaaldelijk gewijzigd.

2 Motivering

Het heffen van een provinciebelasting is noodzakelijk om de uitvoering van de beleidsopties opgenomen in het meerjarenplan financieel mogelijk te maken.

Het opzet achter het initieel invoeren van de belasting was tevens een vereenvoudiging van de provinciale fiscaliteit.

De heffing van de belasting moet zelf efficiënt en rendabel zijn. Aldus dienen de belastingopbrengsten de administratieve kosten verbonden aan de vestiging en de invordering van de belastingaanslagen te dekken.

Een algemene en evenwichtige spreiding van de belastingdruk wordt nagestreefd over meer dan vierhonderdvijftigduizend belastingplichtigen, namelijk de gezinnen die op het grondgebied van de provincie Limburg één woongelegenheid, hoe ook genoemd, bewonen en de bedrijven (eenmanszaken en vennootschappen) die op het grondgebied van de provincie Limburg één of meerdere vestigingen gebruiken of tot gebruik voorbehouden.

Ten overstaan van de gezinnen bestaat het belastbaar feit uit de bewoning door een gezin van één woongelegenheid, hoe ook genoemd, die op het grondgebied van de provincie Limburg is gelegen.

Ten overstaan van de bedrijven bestaat het belastbaar feit uit elke vestiging die op het grondgebied van de provincie Limburg is gelegen en die door het bedrijf wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden.

Zowel de gezinnen als de bedrijven dienen de belasting verschuldigd te zijn afzonderlijk per woning, respectievelijk per vestiging hoe ook genoemd, die zij op het grondgebied van de provincie Limburg gebruiken of tot gebruik voorbehouden.

De belastbare grondslag moet eenvoudig meetbaar en controleerbaar zijn en bestaat derhalve uit de totale gebouwde en/of ongebouwde oppervlakte van het goed waarop de woning (gezinnen) of de vestiging (bedrijven) zich bevindt en die door de belastingplichtige wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden.

Het oppervlaktecriterium met een daaraan gekoppelde gedifferentieerde tariefstructuur laat op adequate wijze toe om, bij benadering en in overeenstemming met het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid, de belasting vast te stellen.

Het oppervlaktecriterium wordt als berekeningsbasis redelijk en objectief beschouwd teneinde de algemene provinciebelasting te berekenen.

De belasting beoogt belastingplichtigen met verschillende toestanden en die verscheidenheid moet noodzakelijkerwijs worden opgevangen in vereenvoudigde categorieën. De normen van een belasting kunnen niet worden aangepast naargelang de eigenheid van elk individueel geval. Er kan niet voor alle mogelijke soorten gezinnen en bedrijven (elk met hun eigen en meest uiteenlopende kenmerken) worden voorzien in een specifieke belastingregeling.

Verschillen inzake financiële draagkracht en/of economische rentabiliteit maken redelijk verantwoorde differentiatiecriteria uit voor de toepassing van het belastingreglement en het verschil in tarifering.

In het algemeen mag worden aangenomen dat de verschillen in financiële draagkracht verantwoorden dat gezinnen aan lagere tarieven worden onderworpen dan bedrijven. De activiteiten van gezinnen zijn niet gericht op een economische exploitatie, terwijl bedrijven bestendig een economisch rendement beogen en/of een winstoogmerk hebben.

Financieel kwetsbaardere gezinnen krijgen vermindering van de belasting op basis van objectieve voorwaarden. Deze voorwaarden houden verband met een tegemoetkoming die genoten wordt op basis van een onderzoek dat reeds door andere wettelijk bevoegde instanties werd uitgevoerd.

Categorieën van bedrijven die door hun aard de grond (bodem) als natuurlijk productiemiddel aanwenden en die in vergelijking met andere categorieën een lager rendement per vierkante meter oppervlakte hebben, hebben een uitzonderlijke nood aan grotere oppervlakten om een economisch leefbare (rendabele) exploitatie te kunnen realiseren. De tariefstructuur komt tegemoet aan de doelstelling van een evenwichtige spreiding in functie van de financiële draagkracht door voor deze categorieën van belastingplichtigen aangepaste tarieven te voorzien, die in overeenstemming kunnen worden beschouwd met hun financiële draagkracht.

Het heffen van minimumbelastingen is gerechtvaardigd door enerzijds de noodzaak om de administratieve kost van de belastingheffing te dekken en anderzijds doordat kan worden

3 Besluit

Artikel 1

Er wordt voor het aanslagjaar 2021, een algemene provinciebelasting geheven ten behoeve van de provincie Limburg op de bedrijven en economische entiteiten, opgesomd in art.2, tot dekking van de uitgaven van het provinciaal beleid.

Artikel 2

§1. De belasting wordt gevestigd ten laste van de natuurlijke personen en de rechtspersonen die op 1 januari van het aanslagjaar, als hoofd- en/of bijkomende activiteit, in de provincie Limburg een economische activiteit in de ruimste zin van het woord uitoefenen, inbegrepen de nijverheids-, landbouw-, tuinbouw-, of handelsactiviteiten, de patrimoniumvennootschappen, de burgerlijke vennootschappen, de vzw's, de rechtspersonen in vereffening en de beoefenaars van een vrij beroep.

§2. "Voor de toepassing van deze verordening wordt eenieder die houder is van een BTW-nummer en/of ondernemingsnummer op 1 januari van het aanslagjaar, beschouwd als een beoefenaar van een belastbare activiteit."

Artikel 3

§1. De belasting is verschuldigd afzonderlijk per vestiging, hoe ook genoemd, op het grondgebied van de provincie Limburg, en door de belastingschuldige gebruikt of tot zijn/haar gebruik voorbehouden.

§2. Onder "vestiging" wordt in het kader van dit reglement verstaan "de onbebouwde en/of bebouwde oppervlakte die de belastingschuldige voor de bedrijfsexploitatie gebruikt of tot het gebruik voorbehouden heeft".

§3. Onder "bebouwde oppervlakte" wordt verstaan de oppervlakten van bouwwerken, constructies en/of installaties die door hun aard op duurzame en gebruikelijke wijze ter plaatse blijven staan, onder "onbebouwde oppervlakte" wordt verstaan de oppervlakte die geen bebouwde oppervlakte is.

§4. De gronden en gebouwen tot zijn gebruik voorbehouden, zijn deze die de belastingschuldige op 1 januari van het aanslagjaar niet effectief gebruikt voor zijn exploitatie, maar waarover hij/zij op elk ogenblik kan beschikken om tot effectief gebruik over te gaan. De bufferzones maken een integrerend deel uit van de bedrijfsexploitatie en zijn aldus belastbaar.

§5. De belasting blijft verschuldigd zolang de oppervlakte niet daadwerkelijk wordt aangewend voor een niet-belastbare bestemming.

§6. De belasting wordt, ongeacht de kadastrale indeling, vastgesteld rekening houdend met de totale bebouwde en/of onbebouwde oppervlakte van het goed.

§7. Indien op een goed onderscheiden vestigingen voorkomen, wordt de aanslag vastgesteld op basis van de oppervlakte die de belastingschuldige in gebruik heeft of tot zijn gebruik voorbehouden heeft. Worden de bebouwde of onbebouwde gedeelten van het goed gemeenschappelijk gebruikt (of tot het gebruik voorbehouden), dan wordt de oppervlakte van dit gedeelte dat in aanmerking te nemen is, berekend door de totale bebouwde / onbebouwde oppervlakte pro rata te verdelen over het aantal vestigingen.

§8. Voor de bebouwde oppervlakte worden alle bouwlagen afzonderlijk geteld.

§9. Iedereen opgesomd in art.2 wordt geacht over een belastbare vestiging te beschikken waarvoor minstens de minimumbelasting verschuldigd is.

§10. Worden eveneens geacht te beschikken over een belastbare vestiging zij die hun beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk uitoefenen alwaar zij niet hoofdzakelijk verblijven en/of gedomicilieerd zijn.

§ 11. Alle economische activiteiten, uitgeoefend in hoofd- of bij-activiteit, welke worden uitgevoerd onder om het even welke juridische vorm, worden belast.

Artikel 4

Voor de recreatiesector (campings, bungalowparken, sportverenigingen, manèges) worden de groengebieden, vijvers, waterplassen en sportterreinen in open lucht, vrijgesteld van belasting.

Artikel 5

Voor de grinderijen en groeven wordt onder bebouwde oppervlakte verstaan: de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, de oppervlakte in beslag genomen door de verwerkingsinstallaties in open lucht (transportbanden, baggerschepen, breekinstallaties, laadplaatsen) en de terreinen welke in exploitatie zijn (in het aanslagjaar) met inbegrip van de onafgewerkte oevers en taluds.

Onder onbebouwde oppervlakte wordt verstaan: de andere terreinen welke nodig zijn voor de exploitatie (toegangswegen, interne transportwegen, parkings, opslagplaatsen) en alle terreinen welke zijn voorbehouden voor exploitatie.

Tot de terreinen voorbehouden voor exploitatie behoren:

  • de terreinen waarvoor een exploitatievergunning werd bekomen en welke niet voor andere doeleinden worden gebruikt;
  • de terreinen waarvoor de belastingschuldige over een zakelijk recht tot ontgrinding beschikt;
  • de terreinen in eigendom van de belastingschuldige, waarop een exploitatierecht verkregen wordt in het kader van het grinddecreet;
  • de terreinen waarop de exploitatie geheel of gedeeltelijk is beëindigd, maar welke nog kunnen gebruikt worden voor verdere exploitatie (nabaggeren, baggeren van andere grondstoffen) of stockage.

Artikel 6

De belasting is per vestiging als volgt vastgesteld.

A. voor andere activiteiten dan land- en tuinbouwbedrijven beschikkend over een oppervlakte:

  • tot 1 ha
    • 0,02 euro/m2 bebouwde oppervlakte
    • 0,01 euro/m2 onbebouwde oppervlakte
    • met een minimum van 62,00 euro
  • meer dan 1 ha
    • 0,20 euro/m2 bebouwde oppervlakte
    • 0,07 euro/m2 onbebouwde oppervlakte.

B. voor landen tuinbouwbedrijven:

a. landbouwbedrijven:

  • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 20 ha
  • meer dan 20 ha: 62,00 euro, vermeerderd met 5,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha

b. tuinbouwbedrijven:

  1. uitsluitend in open lucht:
    • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 2 ha
    • meer dan 2 ha: 62,00 euro, vermeerderd met 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha;
  2. uitsluitend onder glas:
    • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 3.000 m2
    • meer dan 3.000 m2: 62,00 euro vermeerderd met 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2.
    • Onder "glas" wordt verstaan een stevige en duurzame constructie.
  3. gemengde tuinbouwbedrijven (exploitaties zowel in open lucht als onder glas):
    • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 2 ha in open lucht en 3.000 m2 onder glas
    • voor een oppervlakte boven de 2 ha en/of 3.000 m2 wordt het forfaitaire bedrag vermeerderd met 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha in open lucht en met 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2 onder glas.

c. forfaitair 62,00 euro, vermeerderd met:

  • voor het gedeelte landbouw:
    • 5,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha boven de 20 ha
  • voor het gedeelte tuinbouw:
    • uitsluitend in open lucht: boven de 2 ha: vermeerdering van 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha
    • uitsluitend onder glas: meer dan 3.000 m2: vermeerdering van 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2
    • Onder "glas" wordt verstaan een stevige en duurzame constructie.
    • gemengde exploitatie (zowel in open lucht als onder glas):
      • gedeelte in open lucht: boven de 2 ha: vermeerdering van 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha
      • gedeelte onder glas: meer dan 3.000 m2: vermeerdering van 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2 onder glas.
      • Onder "glas" wordt verstaan een stevige en duurzame constructie.

De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het hele jaar. Voor de vaststelling van de belasting wordt de toestand op 1 januari van het aanslagjaar in aanmerking genomen.

Artikel 7

§1. Elke belastingschuldige is verplicht per vestiging, een aangifte te doen, op een aangifteformulier dat het provinciebestuur Limburg ter beschikking stelt.

§2. In afwijking van art. 7, §1 worden een aantal belastingschuldigen vrijgesteld van aangifteplicht, tenzij de administratie hen verzoekt om een aangifte te doen.

Er wordt een vrijstelling van aangifteplicht verleend voor die belastingschuldigen die aan het minimumtarief belastbaar zijn. De administratie zendt aan deze belastingschuldigen een voorstel tot aanslag, conform de procedure hieronder verder bepaald.

§3. Eenieder aan wie een aangifteformulier wordt toegezonden, is verplicht dit ingevuld en ondertekend binnen de voorziene termijn in te dienen bij het provinciebestuur Limburg.

Artikel 8

Aan de belastingschuldigen die zijn vrijgesteld van aangifteplicht wordt een "voorstel van aanslag" toegestuurd. Dit voorstel van aanslag vermeldt de belastbare grondslag en de daarop verschuldigde belasting, en eventueel alle inlichtingen en gegevens die in aanmerking zijn genomen.

Artikel 9

Indien de belastingschuldige akkoord gaat met het voorstel van aanslag, moet hij niet reageren. De aanslag zal in dat geval gevestigd worden op de in het voorstel van aanslag vermelde gegevens.

Artikel 10

Indien de belastingschuldige niet akkoord gaat met de grondslag en/of de berekening van de aanslag zoals vermeld in het voorstel van aanslag, dient hij/zij de administratie daarvan binnen één maand na de verzendingsdatum van het voorstel van aanslag schriftelijk in kennis te stellen met vermelding van zijn/haar motieven.

Artikel 11

Elke belastingschuldige moet binnen dezelfde termijn iedere andere onjuistheid of onvolledigheid van het voorstel van aanslag aan de administratie meedelen.

Artikel 12

§1. Het voorstel van aanslag, aangevuld met de gegevens die de belastingschuldige binnen de in art. 10 en 11 vermelde termijn, heeft ter kennis gebracht, heeft dezelfde waarde als een in de voorgeschreven vormen en termijnen gedane aangifte.

§2. Indien de belastingschuldige evenwel de in art, 10 en 11 vermelde verplichting niet heeft nageleefd wordt het voorstel van aanslag met een onvolledige of onjuiste aangifte gelijkgesteld.

Artikel 13

De aanslag wordt gevestigd al naargelang de toepasselijke procedure, ofwel conform het voorstel van aanslag, ofwel conform de aangifte, ofwel ingeval van onjuiste, onvolledige en/of onnauwkeurige aangifte van ambtswege.

De aanslagbiljetten moeten in gesloten omslag aan de belastingschuldigen gezonden worden.
In afwijking van het vorige lid kan de belastingplichtige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de aanslagbiljetten door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding van dergelijke procedure als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet.

Artikel 14

§1. Bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn, zijnde één maand na de verzendingsdatum van het aangifteformulier, of ingeval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte wordt de belasting ambtshalve ingekohierd.

§2. Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent de deputatie aan de belastingschuldige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van de elementen en het bedrag van de belasting.

§3. Inzake de procedure ingeval van ambtshalve inkohiering wordt verwezen naar het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen.

Artikel 15

Niet tijdige, onjuiste of onvolledige aangifte, alsmede het gebrek aan aangifte geeft aanleiding tot de belastingverhogingen zoals bepaald in art. 16 van dit reglement. De ambtshalve ingekohierde belasting en de belastingverhoging worden opgenomen in kohieren.

Artikel 16

§1. Ingeval van ambtshalve inkohiering wordt de verschuldigde belasting verhoogd met volgende belastingverhogingen:

  • ingeval van goede trouw van de belastingschuldige:
    • eerste overtreding: 20 % verhoging van de ontdoken belasting met een minimumverhoging van 12,50 euro
    • tweede overtreding: 50 % verhoging van de ontdoken belasting met een minimumverhoging van 25,00 euro
    • vanaf de derde overtreding: 100 % verhoging van de ontdoken belasting.
  • ingeval van kwade trouw van de belastingschuldige:
    • 100 % verhoging van de ontdoken belasting vanaf de eerste overtreding.

§2. Bij tijdige en correcte aangifte gedurende twee opeenvolgende jaren begint een nieuwe termijn van aangiftegedrag te lopen.

§3. De verhoging kan maximaal aanleiding geven tot een verdubbeling van de aanslag.

§4. De overtredingen worden vastgesteld door provincieambtenaren, daartoe aangewezen door de deputatie. De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.

Artikel 17

De belasting wordt geïnd door de financieel beheerder van de provincie Limburg. De aanslag moet binnen de twee maanden volgende op het aanslagbiljet betaald zijn op de aangeduide rekening.

In het in artikel 13, derde lid, bedoelde geval moet de belasting worden betaald binnen twee maanden na de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige werd aangeboden.

Eens de betalingstermijn verstreken is, worden de invordering en vervolging gedaan door de financieel beheerder van de provincie Limburg.

Artikel 18

De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete, een bezwaarschrift indienen bij de deputatie van de provincie Limburg, die handelt als administratieve overheid.

Het bezwaar moet schriftelijk en gemotiveerd en ondertekend worden ingediend bij de deputatie van de provincie Limburg, Universiteitslaan 1 te 3500 Hasselt, binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.

In het in artikel 13, derde lid, bedoelde geval vangt de termijn aan vanaf de datum waarop het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt aan de belastingplichtige is aangeboden.

Het bezwaar kan ook worden ingediend via e-mail op het e-mailadres dat vermeld is op het aanslagbiljet, binnen de termijn zoals hierboven bepaald.

De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan in zijn/haar bezwaarschrift vragen om gehoord te worden.

Hasselt, 9 december 2020

De provinciegriffier
Wim Schoepen

De voorzitter
Huub Broers


Contactgegevens dienst
Tel.: 011 23 77 02
E-mail: provinciebelastingen@limburg.be