De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strikt noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om in de site te navigeren, of om te voorzien in door jou aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van jouw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker op maat gemaakte reclame en andere informatie te tonen.

Provinciaal reglement – Droogte Innovatie Fonds (DIF) - projectsubsidie

De provincieraad van Limburg

Gelet op volgende doelstelling, actieplan en actie van het provinciale beleid 2020-2025:

  • beleidsdoelstelling BD000002 “Limburg goed om te leven en te werken”
  • actieplan AP000009 “Het opstellen van een Limburgs waterschaarste- en droogterisicobeheerplan”
  • actie AC000053 “Versterken van innovatie voor het voorkomen van waterschaarste en droogte”;

Overwegende dat Limburg en bij uitbreiding Vlaanderen al vier opeenvolgende jaren wordt geconfronteerd met uitzonderlijke droogte;
dat deze droogte aanzienlijke maatschappelijke, economische en ecologische gevolgen heeft;
dat ook een grote impact op de productie- en omzetcijfers in de land- en tuinbouw wordt vastgesteld;dat deze impact heeft geleid tot een erkenning als landbouwramp in  2017, 2018 en 2019;
dat ook in 2020 de land- en tuinbouw is geconfronteerd met een abnormale grote droogte;

Overwegende dat door deze droogte, waterbesparende maatregelen en captatieverboden zijn uitgevaardigd;
dat deze maatregelen en verboden geleid hebben tot een beperkte beschikbaarheid van water;
dat water een essentiële productiefactor in de land- en tuinbouw is zoals blijkt uit het waterverbruik;
dat het Vlaamse agrobusinesscomplex 118 miljoen m³ water per jaar verbruikt en het totaal waterverbruik door de landbouw wordt ingeschat tussen de 55,5 miljoen m³ en 69 miljoen m³ per jaar;
dat de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) het waterverbruik in de Vlaamse landbouw effectief op 69 miljoen m³ schatte in 2016, waarvan het grondwaterverbruik 55 miljoen m³ of 80% bedraagt van het totale waterverbruik in de landbouw;

Gelet op de Vlaamse Waterbeleidsnota 2020-2025, opgesteld in uitvoering van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en op 23 april 2020 vastgesteld door de Vlaamse Regering;

Overwegende dat deze Waterbeleidsnota de visie van de Vlaamse regering op het waterbeleid tot 2025 bevat;

dat de vierde krachtlijn van de Vlaamse Waterbeleidsnota expliciet inzet op het beperken van de waterschaarste en de gevolgen van de droogte;
dat deze krachtlijn het opvangen van de effecten van klimaatverandering, het stimuleren van spaarzaam watergebruik, het verhogen van de waterbeschikbaarheid en een efficiënt crisisbeheer omvat;

Overwegende dat de provincie Limburg, conform de Vlaamse Waterbeleidsnota 2020-2025, opteert voor een resultaatgericht adaptief en mitigerend klimaatbeleid;
dat dit zich o.m. concretiseert in een pro-actieve en gebiedsgerichte aanpak gebaseerd op een efficiënt monitoringsyteem;
dat deze monitoring is uitgewerkt in de provinciale dynamische waterbalans, die in opdracht van de provincie Limburg is opgemaakt door het consortium gevormd door vzw Bodemkundige Dienst van België, de Katholieke Universiteit Leuven en de Vrije Universiteit Brussel;
dat deze waterbalans een belangrijk instrument is in het droogterisicobeheer;
dat in het onderzoekstraject ook beleidsaanbevelingen en pro-actieve maatregelen zijn geformuleerd;

Overwegende dat de combinatie van de limieten van de waterbeschikbaarheid, de behoefte aan voldoende kwalitatief water als essentiële productiefactor in de land- en tuinbouw, het agrarisch gebruik van 43 % van de Limburgse oppervlakte en de reactieve maatregelen bij acute droogte noodzaakt tot een transitie naar een klimaatrobuuste agrarische sector;

Overwegende dat op sectorniveau en door individuele landbouwbedrijven reeds diverse initiatieven worden genomen en projecten en investeringen worden uitgevoerd om die transitie te realiseren;
dat de opeenvolging van de droogteperiodes echter noodzaakt om te versnellen;
dat het daarvoor wenselijk is om een ondersteunend provinciaal subsidiekader te creëren, zodat impulsen kunnen worden gegeven aan landbouwers, ondernemingen actief in de landbouwketen en onderzoeksinstellingen;

Overwegende het voorstel tot de realisatie van een Limburgs Droogte Innovatie Fonds (DIF);
dat met dit fonds innovatieve projecten kunnen worden ondersteund die focussen op

  • klimaatadaptieve maatregelen
  • waterbesparende acties
  • het aanboren van alternatieve waterbronnen
  • het realiseren van een vertraagde afvoer, buffering, infiltratie en waterdoorlatende verhardingen
  • precisielandbouw en bedrijfsondersteunende systemen;

Overwegende dat het om bovenvermelde redenen aangewezen is om over te gaan tot de vaststelling van een subsidiereglement;

Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige subsidies;

Gelet op het besluit van de provincieraad van 24 oktober 2012 betreffende de controle op de toekenning en de aanwending van subsidies en de normen voor reservevorming;

Gelet op het besluit van de provincieraad van 20 maart 1996 betreffende de herkenbaarheid van het provinciebestuur in provinciale subsidiereglementen;

Gelet op de budgetsleutel 2020/649000/2/0530 - Algemene werkingssubsidies/Land-, tuin- & bosbouw en budgetsleutel 2020/664000/2/0530 - Toegestane investeringssubsidies/Land-, tuin- & bosbouw van het provinciale meerjarenplan;

Gelet op het Bestuursdecreet van 7 december 2018;

Gelet op artikel 42 van het provinciedecreet;

Besluit

I Voorwerp van het subsidiereglement

Artikel 1: doel en doelgroep

Binnen de perken van het vastgestelde meerjarenplan kan de deputatie een subsidie verlenen voor onderzoek en ontwikkelingen om Limburgse land- en tuinbouwbedrijven weerbaarder te maken tegen extreme en langdurige droogteperiodes.

Artikel 2: verklaring termen of begrippen

Droogte Innovatie Fonds (DIF): fonds opgericht door de provincie Limburg met als doelstelling de financiële ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten gericht op het weerbaarder maken van land- en tuinbouw tegen extreme en langdurige droogte.

Project: hiermee wordt bedoeld het volledige project waarvoor men een subsidie aanvraagt of een deelproject van een ruimer project waarbij men enkel voor het deelproject een subsidie aanvraagt.

Projectaanvrager: verantwoordelijke voor het project voor het indienen van de aanvraag, de (eind)afrekening, voor de communicatie met andere partners: de aanvrager is tevens de begunstigde van de aangevraagde subsidie.

II Voorwaarden voor subsidietoekenning

Artikel 3: voorwaarden waaraan de aanvrager moet voldoen

Om in aanmerking te komen voor een subsidie moet de aanvrager aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instelling of een onderneming zijn OF
  • een land- of tuinbouwer, met maatschappelijke zetel of woonplaats in Limburg (B) OF
  • een samenwerkingsverband van bovenvermelde doelgroepen zijn waarbij één van hen zich engageert als coördinator; deze wordt projectaanvrager genoemd, de partners worden projectpartners genoemd
  • in geval van een samenwerkingsverband moet minstens één projectpartner zijn maatschappelijke zetel of woonplaats in Limburg (B) hebben
  • zich ertoe verbinden om de resultaten van het project in Limburg (B) kenbaar te maken om zo een toegevoegde waarde te creëren naar kennisopbouw in de land- en tuinbouwsector
  • alle verplichtingen naleven die voortvloeien uit eerdere toekenningen van gelijkaardige of andere subsidies van de provincie Limburg (B).

Artikel 4: voorwaarden waaraan het project inhoudelijk moet voldoen

Om in aanmerking te komen voor een subsidie moet het project inhoudelijk aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • inhoudelijk beantwoorden aan de visie van het Droogte Innovatie Fonds d.w.z. gericht zijn op het weerbaarder maken van land- en tuinbouw tegen langdurige en extreme droogte EN
  • investeringen worden uitsluitend uitgevoerd op het grondgebied van de provincie Limburg (B); exploitatiekosten zoals kosten voor personeel, werking, onderzoek, externe expertise,… kunnen buiten de provincie Limburg (B) worden gemaakt EN
  • een innovatief karakter hebben voor de land- en tuinbouw in Limburg (B) EN
  • een voorbeeld- of een pilootfunctie vervullen voor de land- en tuinbouw in Limburg (B) EN
  • nog niet voltooid zijn op het moment van de aanvraag EN
  • indien van toepassing over de nodige vergunningen beschikken – de vergunningen dienen ofwel bij de subsidie-aanvraag te worden gevoegd of in geval van vergunningverlening tijdens de projectuitvoering, onmiddellijk na ontvangst van de vergunning EN
  • het project moet binnen 2 jaar, te rekenen vanaf de datum van het deputatiebesluit houdende de subsidietoekenning, volledig gerealiseerd worden.

Projecten die voldoen aan één of meer van de volgende voorwaarden, genieten de voorkeur:

  • zich toespitsen op klimaatadaptieve maatregelen
  • zich toespitsen op waterbesparende maatregelen
  • zich toespitsen op alternatieve waterbronnen
  • zich toespitsen op vertraagde afvoer, buffering, infiltratie en waterdoorlatende verhardingen
  • zich toespitsen op precisielandbouw en bedrijfsondersteunende systemen
  • een voorbeeldwaarde hebben naar andere bedrijven uit de sector of buiten de sector
  • een samenwerkingsverband tot stand brengen, hetzij horizontaal, hetzij verticaal in de productieketen.

Artikel 5: voorwaarden waaraan het project financieel moet voldoen

Om in aanmerking te komen voor een subsidie worden de subsidieaanvragen onderzocht op financiële coherentie. Dit betekent dat de projectbegroting in een goede verhouding staat tot de voorgestelde projectactiviteiten en tot de beoogde projectresultaten.

De kosten van de projectactiviteiten worden gedetailleerd weergegeven en voor elk van de projectactiviteiten staan de kosten in verhouding tot de beoogde projectresultaten en tot de inhoud van de totale projectaanvraag.

Er moet ook een sluitend financieringsplan worden voorgelegd. De gevraagde provinciale subsidie heeft a priori een aanvullend karakter. Dit betekent dat het bewijs moet worden geleverd dat alle andere subsidiemogelijkheden zijn onderzocht en uitgeput.

De provinciale subsidie kan met andere steunmaatregelen worden gecumuleerd onder de voorwaarde dat het project nooit voor meer dan 100 % mag gefinancierd worden  en dat staatssteunregels een provinciale subsidie toelaten.

III Indiening van de subsidieaanvraag 

Artikel 6: de termijn, wijze en het adres van de indiening van de aanvraag

De aanvraag tot het verkrijgen van een subsidie kan enkel elektronisch gebeuren.

Na het indienen wordt de ontvangst van de aanvraag bevestigd en worden het verdere verloop en eventuele bijkomende instructies meegedeeld aan de aanvrager.

De aanvraag tot het verkrijgen van een subsidie moet na de oproep door de deputatie en vóór het verstrijken van de door de deputatie gestelde uiterste datum voor indiening, ingediend worden. Deze datum zal bekendgemaakt worden op onderstaande website.

De aanvraag moet ingediend worden op volgend adres:

Landbouw en Platteland
Directie Ondernemen
provincie Limburg, Universiteitslaan 1, B-3500 Hasselt

Tel.: 011 23 74 42
E-mail landbouwenplatteland@limburg.be
Website: www.limburg.be/dif 

Artikel 7: documenten in te dienen bij de aanvraag

Voor iedere aanvraag moeten de volgende documenten ingediend worden:

  • een volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend aanvraagformulier; het mailbericht geldt als bewijs van ondertekening
  • een gedetailleerde begroting van ontvangsten en uitgaven van het project m.i.v. de gevraagde subsidiëring
  • een lijst met de betrokken partners
  • een gedetailleerde motivering van het gevraagde subsidiebedrag
  • een concrete omschrijving van het projectvoorstel met daarin de situering, de omschrijving van de doelstellingen en de verantwoording van de innovatieve waarde van het project en een inschatting van de impact op de Limburgse land- en tuinbouw, indien het project een onderdeel is van een ruimer project moet ook het volledige project worden beschreven
  • een duidelijke timing van de uitvoering waaruit blijkt dat het project kan worden uitgevoerd binnen een termijn van 2 jaar, te rekenen vanaf de datum van het deputatiebesluit houdende de subsidietoekenning
  • indien van toepassing: een verklaring op eer waarin staat dat het gevraagde subsidiebedrag het maximum, zoals bepaald in de zogenaamde ‘de-minimisverordening nr. 1407/2013, niet zal overschrijden
  • een voorstel voor de verspreiding van onderzoeksresultaten
  • indien de aanvraag een project in samenwerkingsverband betreft: een kopie van de samenwerkingsovereenkomst die de projectaanvrager met de projectpartner(s) sloot ter uitvoering van het project; in de overeenkomst wordt duidelijk de rol van elk van de partners vermeld alsook de wijze van doorstorting van subsidies, de declaratie van kosten, …
  • de vergunningen of lopende vergunningsaanvragen voor zover deze op het moment van de aanvraag reeds gekend zijn.

Het aanvraagformulier kan op het adres vermeld in bovenvermeld artikel opgevraagd worden of kan van de bovenvermelde website worden gehaald.

IV Toetsing van de subsidieaanvraag 

Artikel 8: toetsing op tijdigheid

De aanvraag wordt getoetst op tijdigheid.

Aanvragen die buiten de termijn, die vastgesteld werd door de deputatie, werden ingediend, komen voor deze oproep niet meer in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit reglement.

De datum van ontvangst bij het bestuur geldt als datum voor de toetsing.

De aanvrager zal hiervan schriftelijk op de hoogte worden gebracht.

Artikel 9: toetsing op volledigheid

De aanvraag wordt onderzocht op volledigheid binnen een termijn van 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag bij het bestuur.

De aanvrager die een onvolledige aanvraag indient, krijgt schriftelijk de vraag om de ontbrekende documenten alsnog in te dienen binnen de meegedeelde termijn. Een aanvraag die niet vervolledigd wordt binnen deze termijn komt in dat jaar niet meer in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit reglement.

De aanvrager zal hiervan schriftelijk op de hoogte worden gebracht.

Artikel 10: toetsing aan de voorwaarden waaraan de aanvrager moet voldoen en aan de voorwaarden waaraan het project inhoudelijk en financieel moet voldoen

De aanvraag wordt getoetst aan de voorwaarden vermeld in het reglement en wordt vóór de beslissing over het al of niet toekennen van de subsidie voor advies voorgelegd aan een jury. De deputatie is bevoegd voor de oprichting, samenstelling en ontbinding van de jury.

Wanneer dit gevraagd wordt, moet de projectaanvrager zijn/haar project aan de jury voorstellen en verdedigen.

Deze jury oordeelt op basis van volgende criteria met de volgende verdeelsleutel:

  • het innovatief karakter: 30 punten
  • de impact en relevantie voor de Limburgse land- en tuinbouw: 30 punten
  • de (financiële) haalbaarheid van het project: 20 punten
  • de kwaliteit en toepasbaarheid van het project (op korte en lange termijn): 20 punten.

Artikel 11: toetsing op krediet

Indien de kredieten die in het budget voor dit reglement zijn ingeschreven, uitgeput zijn, komt de aanvraag voor het lopende budgetjaar niet meer in aanmerking voor toekenning.

De aanvrager zal hiervan schriftelijk op de hoogte worden gebracht.

Indien een projectvoorstel een minimum van 60 punten behaalt, maar niet kan worden uitgevoerd wegens een ontoereikend budget zal de aanvrager worden geadviseerd om zijn voorstel te herwerken en in te dienen bij een volgende projectoproep.

Artikel 12: besluitvorming over de subsidieaanvraag

De deputatie beslist of de aanvraag al of niet in aanmerking komt voor een subsidie en bij een toekenning van de subsidie welk subsidiebedrag wordt toegekend.

De aanvrager zal schriftelijk in kennis gesteld worden van de beslissing.

V Berekening van het subsidiebedrag 

Artikel 13: bepaling van het subsidiebedrag

Het toe te kennen subsidiebedrag wordt berekend op basis van de door de aanvrager ingediende raming van projectuitgaven en -ontvangsten zoals opgenomen in het aanvraagformulier.

Het definitieve subsidiebedrag wordt na de indiening van de nodige documenten ter verantwoording van de aanwending van de toegekende subsidie berekend op basis van de werkelijke projectontvangsten en -uitgaven na de projectuitvoering en nadat aan de voorwaarden van de artikels 17 en 18 werd voldaan.

Enkel uitgaven die direct toewijsbaar zijn aan de uitvoering van het project, gedetailleerd bewijsbaar zijn en die officieel boekhoudkundig ingeschreven zijn, worden aanvaard voor de bepaling van het definitieve subsidiebedrag. Enkel facturen met een factuurdatum die ligt binnen een periode vanaf de startdatum van het project tot en met twee maanden na de einddatum van de projectlooptijd, maar waarvan de prestatie heeft plaatsgevonden binnen de projectperiode, worden aanvaard.

De bepaling van de provinciale subsidie kan beperkt worden tot bepaalde uitgavenelementen. De deputatie zal per aanvraag de niet-subsidiabele uitgavenelementen vaststellen.

Het betaalde subsidiebedrag kan nooit hoger zijn dan het aantoonbare projectbedrag.

Volgende uitgaven komen in aanmerking voor de subsidieberekening.

  1. Personeelskosten
    Als personeelskosten worden uitsluitend de loonkosten (standaarduurtarieven) van de rechtstreeks bij het project betrokken personeelsleden in aanmerking genomen. Het moet duidelijk zijn wat de taken zijn van het personeelslid in het kader van het project. De diverse taken van het personeel moeten opgesplitst worden in het aantal mandagen. Er moet een raming gemaakt worden van het aantal uren dat ieder personeelslid aan het project zal besteden. Alle personeelskosten moeten per maand aangerekend worden in de afrekeningsstaten (ook vakantiegeld, eindejaarspremie, ...). De loonfiches van de personeelsleden moeten toegevoegd worden in het eindrapport. Het standaarduurtarief (maximum 100,00 euro/uur) wordt berekend door het voltijdse basisbrutomaandloon van een medewerker te vermenigvuldigen met een factor van 1,2 %. Deze factor wordt vastgesteld uit een redelijk aandeel van loonkosten bovenop het brutoloon en eventuele loonkostreducties voor de werkgever en werknemer. Dit is een vaste factor waar niet kan van afgeweken worden. Het brutoloon dat als basis geldt, is het brutoloon van de maand januari van het jaar van indiening van de subsidieaanvraag.

    Volgende personeelskosten zijn uitgesloten voor de subsidieberekening: bijdragen voor extralegale voordelen zoals groepsverzekeringen, extralegaal pensioen, hospitalisatieverzekeringen, ... en loonkosten voor “supervisie” (meestal door de ondernemingsleider), vergoedingen voor woon-werkverkeer, verplaatsingsonkosten en reis- en verblijfsvergoedingen.

  2. Werkingskosten
    De werkingskosten zijn kosten en uitgaven die zich zonder het project niet zouden hebben voorgedaan en betreffen o.m. de rechtstreeks aan het project verbonden uitgaven voor verbruiksmaterialen, hulpgoederen, grondstoffen en gereedschappen waarvan de verwachte levensduur de duur van de looptijd van het project niet overschrijdt (bv. papier, batterijen, ...), communicatie- en promotiekosten, ...

    Volgende werkingskosten zijn uitgesloten voor de subsidieberekening: afschrijvingskosten voor het gebruik van bestaande infrastructuur (gebouwen, materieel, installaties, meubilair en rollend materieel,...), verhuur aan zichzelf of “interne huuraanrekening” (dit is het aanrekenen van een huurprijs voor het ter beschikking stellen van een gebouw en infrastructuur), de kosten voor het huren van een gebouw of lokalen waar de projectaanvrager of de partners gevestigd zijn, computerkosten voor occasioneel gebruik, ...

  3. Investeringen
    Alleen investeringsuitgaven die in de loop van de projectperiode worden gemaakt, worden voor de subsidieberekening aanvaard, op voorwaarde dat de investeringen duidelijk omschreven worden en dat zonder deze investeringen de projectuitvoering niet kan worden gerealiseerd. Investeringskosten komen enkel in aanmerking voor de afschrijvingsperiode die overeenkomt met de projectduur en evenredig met de inzet ervan op het project. Deze afschrijvingstermijnen moeten kunnen aangetoond worden in de boekhouding van de organisatie.

  4. Externe expertise Kosten voor het inschakelen van externe expertise (bijvoorbeeld kennisinstelling) kunnen opgenomen worden. Externe prestaties betreffen niet de prestaties van de projectpartners: projectpartners hoeven niet aan elkaar door te factureren.

    Kosten voor extern personeel (maximum 125,00 euro/uur) worden enkel aanvaard op basis van een factuur met volgende gegevens:
    • naam van de uitvoerder
    • omschrijving van de werkelijk geleverde prestaties
    • dagen waarop de prestaties geleverd werden
    • duur van de geleverde prestaties.

    Overheadkosten (vaste kosten zoals elektriciteit, water, gas, telefoon, verzekeringen, …) worden niet aanvaard als subsidiabele kosten.

Artikel 14: minimumsubsidiebedrag

Indien na toetsing en berekening het subsidiebedrag lager dan 30 000,00 euro is, zal de subsidie niet toegekend worden.

Artikel 15: maximumsubsidiebedrag

Het subsidiebedrag bedraagt maximum 250.000,00 euro per aanvraag.

VI Betaling van het subsidiebedrag 

Artikel 16: wijze van betaling

Het toegekende subsidiebedrag wordt in twee schijven betaald.

Een eerste schijf van 50 % wordt betaald bij de toekenning.

Het saldo wordt betaald nadat de voorwaarden vermeld in artikels 17 en 18 zijn vervuld.

Artikel 17: voorwaarden tot betaling van het saldo

Binnen een termijn van 90 kalenderdagen, na afloop van het project, moet de aanvrager een aanvraag tot betaling van het saldo samen met een eindrapport indienen op het adres vermeld in artikel 6.

Het eindrapport moet minstens volgende zaken bevatten:

  • de nodige bewijzen waaruit blijkt dat het ingediende projectvoorstel integraal en zoals vooropgesteld werd uitgevoerd m.i.v. de nodige vergunningen
  • een chronologisch overzicht van de activiteiten waarbij de uitvoering van het project wordt beschreven. Indien het project wordt uitgevoerd door verschillende projectpartners moeten de activiteiten per projectpartner weergegeven worden
  • een financieel rapport met een overzicht van alle projectgerelateerde kosten en eventuele opbrengsten, gestaafd aan de hand van facturen/schuldvorderingen/loonstaten en betalingsbewijzen.

VII Verplichtingen na de toekenning van een subsidie 

Artikel 18: verplichtingen na de toekenning

Indien in het kader van dit reglement aan de aanvrager een subsidie wordt toegekend verbindt deze zich ertoe:

  • de toegekende subsidie aan te wenden voor het doel waarvoor zij werd toegekend
  • in alle communicatiemateriaal over het project steeds het logo en “met steun van de provincie Limburg” te vermelden (drukwerken, publiciteit, advertenties, aankondigingsborden, informatiepanelen, ...). De vermelding moet goed zichtbaar en leesbaar zijn; de vermelding moet ook even groot en zichtbaar zijn als eventuele andere logo’s
  • zowel bij toekenning van de provinciale subsidie als na realisatie van het project i.s.m. de provincie een communicatiemoment (persbericht, persvoorstelling, plaatsbezoek, ...) te organiseren om kenbaarheid te geven aan het project
  • indien van toepassing: voor alle werken de vereiste vergunningen te verkrijgen
  • indien van toepassing: de werken conform alle wettelijke voorschriften uit te voeren
  • het project volledig binnen een termijn van twee jaar te realiseren Uitzonderlijk kan de deputatie beslissen tot een verlenging van de realisatietermijn, waarbij automatisch ook de termijn tot indiening van de betalingsaanvraag met eenzelfde duur wordt verlengd. Hiertoe moet de aanvrager een gemotiveerde aanvraag indienen bij de dienst Landbouw en Platteland met opgave van de reden en de duur van de gewenste verlenging. De aanvrager wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de beslissing tot het al dan niet verlengen van deze termijnen.
  • de resultaten van het project in Limburg (B) kenbaar te maken om zo een toegevoegde waarde te creëren naar kennisopbouw in de land- en tuinbouwsector
  • indien het toegekende subsidiebedrag hoger is dan 24 789,35 euro: gedurende de volledige projectlooptijd jaarlijks de balans en resultatenrekening van het afgelopen goedgekeurde rekeningjaar in te dienen of te publiceren via de website van de Balanscentrale van de Nationale Bank van België.

VIII Controle en sancties 

Artikel 19: controle op de aanwending van de toegekende subsidie

De provincie heeft steeds het recht toezicht en controle uit te oefenen bij de begunstigde van de subsidie die hem in het kader van dit reglement werd toegekend. De begunstigde verbindt er zich toe de nodige inlichtingen te verstrekken en de controle van de provincie Limburg te aanvaarden.

Artikel 20: sancties

Indien de begunstigde één of meer verplichtingen voortvloeiend uit dit reglement niet nakomt, kan de provincie het reeds betaalde subsidiebedrag geheel of gedeeltelijk terugvorderen, of in voorkomend geval beslissen tot het niet-betalen of het gedeeltelijk niet-betalen van de toegekende subsidie. Verder kan voor een periode vastgesteld door de deputatie de begunstigde uitgesloten worden om in de toekomst in aanmerking te komen voor subsidies van de provincie Limburg.

IX Slotbepalingen 

Artikel 21: inwerkingtreding en geldigheidsduur

Dit reglement treedt in werking vanaf 1 oktober 2020.

Artikel 22: interpretatiegeschillen en onvoorziene omstandigheden

Alle interpretatiegeschillen en onvoorziene omstandigheden betreffende de toepassing van dit reglement worden behandeld door de deputatie.

Hasselt d.d. 2020-09-16

De provinciegriffier
Wim Schoepen

De voorzitter
Huub Broers