De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken. Meer info
Ga verder

Limburg in de prehistorie (... - 57 v.C.)

De eerste bewoners

Honderden generaties hebben tijdens de prehistorie in Limburg gewoond. Dit weten we door de oudste vondsten die gedaan zijn in onze regio. Ongeveer 500.000 jaar geleden kwamen de eerste mensen in Noordwest-Europa aan. Ze behoorden tot de soort Homo erectus. Het is een periode van wisselende ijstijden.

De Neandertalers verschenen voor het eerst zowat 250.000 jaar geleden. Wanneer het klimaat het toeliet, waagden zij zich vanuit het zuiden noordwaarts. Zij joegen op mammoeten, bizons, wolharige neushoorns, muskusossen, holenberen, paarden en rendieren. De oudste vondst, zowat 100.000 jaar oud, is een stenen vuistbijl en werd in Meldert ontdekt. De Neandertalers gebruikten dit werktuig om te hakken, te snijden en te graven.

De moderne mens

Even na 12000 v.C. verschenen de moderne mensen voor het eerst in onze streken. In het open landschap volgden zij de kudden van rendieren en paarden. Het wild voorzag deze jagers van vlees, van huiden voor kledij en tentzeilen en van been en gewei voor harpoenen. Bovendien vonden zij hier goede vuursteen waarvan zij vuistbijlen, stekers en messen maakten.

Tussen 10000 en 8000 v.C. werd het klimaat geleidelijk beter. De grasvlakten en de dunne dennen- en berkenbossen in de Kempen en de Maasvallei werden vanaf toen voortdurend bevolkt door rondzwervende jagers en voedselverzamelaars. Elanden, herten, reeën en everzwijnen waren hun prooi. Zij gebruikten al pijl en boog.

Vanaf 8000 v.C. kennen onze contreien een gematigd landklimaat. Daardoor ontwikkelde zich geleidelijk aan een dicht loofwoud waarin herten, reeën, everzwijnen en klein wild leefden. Bij de vennen en rivieren in Kempen en Maasvallei, waar dieren kwamen drinken en watervogels zich ophielden, bouwden de jagers en voedselverzamelaars hun tijdelijke hutten. Ze leefden in kleine groepen.

Een grote revolutie

Omstreeks 5300 v.C. arriveerden de eerste landbouwers en veetelers uit Centraal-Europa en bevolkten de vruchtbare leemgronden, ook die van Haspengouw. Waar ze zich vestigden, moest het loofwoud plaats ruimen voor akkers, waarop granen, peulvruchten en oliehoudende gewassen werden verbouwd. Ze hielden runderen, varkens, schapen en geiten.

De bandkeramiekers waren het eerste volk in onze streek dat de rondtrekkende levenswijze van jagers had opgegeven. Ze leefden in kleine gemeenschappen en bouwden grote lemen hoeven die per drie tot zes waren gegroepeerd. Woon-, werk- en opslagruimten bevonden zich samen met de stallen onder één dak. Duizend jaar later was de levenswijze van landbouwers en veetelers definitief ingeburgerd.

De boeren hadden steeds meer nood aan akkerland. Er was meer vraag naar bijlen voor de ontbossing en men ging op zoek naar méér en bruikbare vuursteen. Die was ondermeer te vinden in de krijtlagen in het zuiden van Nederlands Limburg. De landbouwers daar werden ook mijnwerkers die, om tot bij de grondstof te komen, diepe schachten en gangen in het krijt groeven. ln de Voerstreek echter kon men vuursteen dicht aan de oppervlakte vinden. De vuursteen van goede kwaliteit werd tot in het Rijnland, tot diep in Vlaanderen en in heel het zuiden van Nederland verhandeld.

De bekerlieden, zo genoemd omdat zij aan hun doden soms bekervormig aardewerk meegaven, breidden omstreeks 3100 v.C. de handelsbetrekkingen uit. Handelaars brachten koperen voorwerpen mee uit verre streken. Imitaties ervan werden teruggevonden in de graven onder geïsoleerd gelegen grafheuvels. De "bekerlieden" stonden op de drempel van een nieuwe tijd.

Een nieuwe tijd

Die nieuwe tijd werd omstreeks 2200 v.C. in onze contreien door de eerste bronzen voorwerpen aangekondigd. Vuursteen bleef voorlopig wel nog een belangrijke rol spelen.

Waar in de Kempen het bos gerooid was en de schapen intensief graasden, ontstond vanaf 1800 v.C. een nieuw cultuurlandschap dat het beeld van Limburg tot op de dag van vandaag zou bepalen: de heide.

Omstreeks 1100 v.C. nam de bevolking van de Kempen en de Maasvallei begrafenisgebruiken uit Centraal-Europa over. De overledenen werden gecremeerd, hun asresten doorgaans in een urne op zogenaamde “urnenvelden” ter aarde besteld.

Omstreeks 700 v. C. begon ijzer in het dagelijks leven een belangrijke rol te spelen. ln Centraal-Europa wijzigden de machtsverhoudingen omdat lokale stamhoofden de controle over erts- en zoutmijnen hadden verworven.

De tijd was rijp voor het ontstaan van de Keltische cultuur. Een aristocratie onderscheidde zich van de gewone bevolking. Rijke graven met heel wat importgoederen getuigen hiervan. De bevolking leefde in middelgrote lemen huizen. Ze bewerkte vierkante akkertjes, afgebakend door heggen en walletjes. De percelen werden afwisselend bewerkt en braak gelaten.

Hoe ver geëvolueerd en hoe goed georganiseerd ze ook waren, de inheemse stammen bleken niet opgewassen tegen de Romeinse expansiedrift.
ln 58 v. Chr. begon de veldtocht van G. Julius Caesar tegen de Gallische stammen. In zijn oorlogsverslag vermeldt de veldheer voor onze contreien onder meer de Nerviërs, de Menapiërs, de Condrusen, de Atuatucen, de Segnen, de Paemanen en de Eburonen. Het huidige Limburg was een deel van het grondgebied van deze laatste stam.

Contactgegevens dienst

Informatie en Communicatie
Universiteitslaan 1
3500 Hasselt

tel. 011 23 80 26
e-mail communicatie@limburg.be


Openingsuren

Het Provinciehuis is elke werkdag geopend van 9 tot 12 uur en van 13.30 tot 17 uur.