De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strikt noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om in de site te navigeren, of om te voorzien in door jou aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van jouw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker op maat gemaakte reclame en andere informatie te tonen.
Woonacademie

Vragen en antwoorden

Op deze vragen over mobiele woonunits zoeken jullie een antwoord.

Bouwtechnische vragen

Nutsvoorzieningen

Is een woonunit enkel kant en klaar verkrijgbaar?

  • Jullie verwijzen steeds naar kant en klaar modules. Zijn er ook modules op de markt die ter plaatse worden geassembleerd, wanneer het niet mogelijk is om unit kant en klaar aan te leveren?
  • Kun je ons een voorbeeld van die Cocon unit tonen?

EPB

Duurzaam gebruik

  • Als de mobiele units na max 10 jaar weg moeten, dan moet daar toch ook een afzet voor zijn? Loopt dat via een particuliere 2de handsmarkt, of zorgen de leveranciers daar ook voor?
  • Hoe duurzaam zijn deze mobiele units? Wat gebeurt er als de unit niet meer nodig is? Kunnen zij hergebruikt worden?

Functioneel gebruik van een mobiele woonunit

Doelgroepen

Betaalbaarheid

Betaalbaarheid van de unit als woning

  • Even abstractie makende van het mobiele karakter: Is er een prijsvoordeel t.o.v. klassiek bouwen? Over welk percentage van kostenbesparing spreken we?

Financiële impact voor de bewoner van een zorgunit

Beleid/Regelgeving

Drempels?

Voorwaarden?

Handhaving


Bouwtechnische vragen

Nutsvoorzieningen

Moeten er aparte installaties gebeuren voor de nutsvoorzieningen?
Is een aparte teller nodig?
Wat gebeurt er met de droogweerafvoer en de regenweerafvoer die afkomstig zijn van de unit?

Aangezien een mobiele zorgunit slechts om een tijdelijke situatie gaat, die niet losgekoppeld kan worden van de hoofdwoning, is het aan te raden om de noodzakelijke nutsvoorzieningen aan te laten takken op de bestaande nutsvoorzieningen van de woning. Ook de afvoer van het hemel- en afvalwater sluit best aan op de bestaande waterafvoer van de woning.

Voor de aansluiting van nutsvoorzieningen moet je contact opnemen met de nutsmaatschappijen. In sommige gemeenten bestaan hier specifieke reglementen over, je neemt hiervoor dus best contact op met de dienst ruimtelijke ordening of de technische dienst van de gemeente.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

EPB

Voor het plaatsen van een woonunit van meer dan 40 m² is een architect verplicht, is dat dan ook EPB plichtig?

Voor de plaatsing van een zorgunit is de medewerking van een architect steeds vereist, onafhankelijk van de oppervlakte.
Er geldt een vrijstelling van EPB-plicht voor vrijstaande bijgebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte kleiner dan 50 m². Ook voor gebouwen met een tijdelijke vergunning met een maximale duur van 2 jaar geldt geen EPB-plicht: www.energiesparen.be/EPB-pedia/uitzonderingen/EPB-plicht.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Er is de medewerking van een architect voorzien en de constructie is EPB-plichtig teneinde de woonkwaliteit van de constructie te waarborgen. De nutsvoorzieningen dienen aan te takken op de hoofdwoning. We kennen een tijdelijk apart huisnummer toe door toevoeging van de letter T.
Het concrete antwoord op al deze vragen kan in detail worden teruggevonden in de verschillende artikelen van onze BGO. De tekst is ter beschikking o.m. op de website van stad Hasselt.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Functioneel gebruik van een mobiele woonunit

Kan er tijdens een bouwperiode of verbouwperiode tijdelijk in een mobiele unit gewoond worden?

Indien de mobiele unit tijdelijk voorzien wordt, kan in sommige omstandigheden gebruik gemaakt worden van het vrijstellingenbesluit.

Artikel 7.1.

[…]

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de tijdelijke plaatsing van verplaatsbare constructies tijdens de uitvoering van vergunde verbouwingen of herbouwingen van gebouwen, meldingsplichtige verbouwingen of herbouwingen waarvan akte is genomen of van vergunning vrijgestelde verbouwingen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :

1° de constructies worden gebruikt om functies in onder te brengen die door de uitvoering van de handelingen niet meer kunnen plaatsvinden in de te verbouwen of herbouwen gebouwen;

2° de constructies worden niet langer dan twee jaar geplaatst in geval van vergunde of meldingsplichtige verbouwingen of herbouwingen en niet langer dan een jaar in geval van verbouwingen die vrijgesteld zijn van vergunning;

3° de maximale hoogte is beperkt tot 3,5 meter;

4° bij plaatsing op een goed dat niet tot het openbaar domein behoort, wordt de constructie op minimaal twee meter afstand van de zijdelingse en van de achterste perceelsgrens geplaatst;

5° de constructies worden verwijderd binnen dertig dagen nadat de verbouwde of herbouwde gebouwen in gebruik zijn genomen.

De toepassing van artikel 7.1 van het vrijstellingenbesluit is mogelijk in geval van herbouw of verbouwingswerken, doch niet in het geval van nieuwbouw. In het geval van verbouw/herbouw woont men immers in een bestaande woning, die gedurende de werken niet bewoond kan worden, terwijl er bij nieuwbouw nog geen bestaande woning op het betreffende perceel is. Men verhuist eventueel van een woning elders, die door de werken niet verdwijnt.

In het geval van nieuwbouw kan eventueel wel gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op basis van artikel 7.2 van het vrijstellingsbesluit:

Artikel 7.2.

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de tijdelijke plaatsing van constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden voldaan is:

1° op hetzelfde goed wordt een maximale duur van vier periodes van dertig aaneengesloten dagen per kalenderjaar niet overschreden. Op de eerste dag van de plaatsing van de constructie begint de periode van dertig dagen te lopen, ongeacht of de constructie de volle dertig dagen geplaatst blijft. De periodes van dertig dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet;

2° de plaatsing gebeurt niet in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied;

3° de constructies brengen de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang;

4° de plaatsing gaat niet gepaard met een ontbossing, een wijziging van vegetatie of kleine landschapselementen, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen.

Wanneer de voorwaarden uit het vrijstellingsbesluit niet voldaan zijn, dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor de plaatsing van een mobiele woonunit.

Indien uit de aanvraag een tijdelijk karakter verantwoord kan worden, kan er een omgevingsvergunning voor een bepaalde duur voor afgeleverd worden conform artikel 68 tweede lid, 8° van het omgevingsvergunningsdecreet. De vergunningsbeslissing vermeldt dan de duur van de vergunning en de reden daarvoor.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Waarom enkel zorgunits?

Als stad stellen we alles in het werk om uitvoering te verlenen aan de bepaling van art. 1.1.4 VCRO: "De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij we de ruimte beheren voor de huidige generatie, zonder dat we de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang brengen. Daarbij wegen we de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar af. We houden rekening met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier streven we naar ruimtelijke kwaliteit”. Er staat ons niets in de weg om in de toekomst de voorgestelde opties te bekijken. Maar momenteel zijn deze niet aan de orde.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Doelgroepen

Voor mensen met een langdurige psychiatrische problematiek kan een mobiele woonunit een trainingshuis zijn om later in het "normale" circuit in te stappen. Kan de beperking van een mobiele woonunit voor bejaarden en gehandicapten opgeheven en uitgebreid worden? De psychiatrie zou er wel bij varen.

Voor wat betreft mobiele units bestaan er geen specifieke regels, tenzij de gemeente hier een lokaal reglement voor goedkeurde. Indien hierbij dezelfde voorwaarden aangaande huisvesting gehanteerd zouden worden als in artikel 4.1.1. 18° d, gaat het om de huisvesting van:

  1. hetzij ten hoogste twee personen, waarvan ten minste één persoon 65 jaar of ouder is;
  2. hetzij ten hoogste twee personen, waarvan ten minste één persoon die hulpbehoevend is. Een hulpbehoevende persoon is een persoon met een handicap, een persoon die in aanmerking komt voor een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden, een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood of een basisondersteuningsbudget als vermeld in artikel 4, eerste lid, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of een persoon die een behoefte heeft aan ondersteuning om zich in zijn thuismilieu te kunnen handhaven. De kinderen ten laste van de hulpbehoevende persoon worden niet meegerekend bij het bepalen van het maximum van twee personen;
  3. hetzij de zorgverlener indien de personen, vermeld in punt 1 of 2, gehuisvest blijven in de hoofdwooneenheid.

De hulpbehoevendheid gaat is bijgevolg ruimer dan personen met een handicap.

De memorie van toelichting bij de VCRO (Stuk 2011 (2008-2009) nr. 1) vermeldt het volgende m.b.t. de hulpbehoevendheid:

  1. Bij zorgwonen is er in eerste instantie sprake van de creatie van een ondergeschikte wooneenheid in functie van het huisvesten van ten hoogste 2 ouderen of hulpbehoevende personen.

Het begrip "ouderen" wordt ingevuld op de wijze als bepaald in de decreten inzake voorzieningen voor ouderen, gecoördineerd op 18 januari 1991. Thans hanteert dat decreet de norm: "60 jaar of ouder[1]". De categorie van hulpbehoevende personen wordt ruim omschreven. Het kan gaan om personen met een handicap, om personen die in aanmerking komen voor een tenlasteneming door de Vlaamse zorgverzekering, of om personen met een nood aan ondersteuning om zich in het thuismilieu te kunnen handhaven. In die laatste hypothese is het niet noodzakelijk dat een beroep wordt gedaan op een vorm van thuiszorg door derden; in een situatie van zorgwonen moet het immers mogelijk zijn om het verminderde zelfzorgvermogen van personen op te vangen binnen een familiaal of ander samenlevingsverband. Het volstaat met andere woorden dat de bewoners van de hoofdwooneenheid effectief taken op zich nemen om de verminderde zelfredzaamheid van de bewoner(s) van de ondergeschikte wooneenheid te ondervangen.

Een persoon die nood heeft aan ondersteuning zal dus aan minstens 3 criteria moeten voldoen:

  • een verminderd zelfzorgvermogen hebben
  • én de hulpverlenende pers(o)on(en) moet(en) taken op zich nemen om dit te ondervangen,
  • zodat de persoon in kwestie in een thuismilieu kan verblijven.

De "nood aan ondersteuning om zich in zijn thuismilieu te kunnen handhaven’" moet geïnterpreteerd worden in de hulpbehoevendheid met betrekking tot de zorg- en welzijnssector. Het gebrek aan zelfzorgend vermogen van de hulpbehoevende perso(o)n(en) kan verband houden met bijvoorbeeld:

  • een zorgbehoefte op huishoudelijk vlak
  • het uitvallen van fysische functies, waardoor noden ontstaan op het vlak van lichaamsverzorging, hygiëne of verpleegkundige zorgen
  • nood aan sociale ondersteuning of familiale hulpverlening (vb. rouwverwerking, hulp bij opvang van kinderen, hulp bij financiële verrichtingen, preventieve maatregelen naar veiligheid in en rondom het huis, …)
  • geestelijke gezondheid.

Een loutere financiële hulpbehoevendheid werd hier niet bedoeld.

[1] In het Voorontwerp van decreet betreffende de woonzorg (2e principiële goedkeuring VR d.d. 13.07.2018) worden ouderen in artikel 2, §1, 9°, gedefinieerd als de personen van 65 jaar of ouder.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Waarom worden woonunits enkel gekoppeld aan zorg? 35 % van de bevolking is alleenstaande, op zoek naar betaalbaar wonen!

Er bestaan geen specifieke regels voor mobiele units, tenzij de gemeente hier een regelement voor maakte. Hierin kan de gemeente zich richten op bepaalde doelgroepen.
Wanneer een woonunit aangevraagd wordt als creatie van betaalbaar woonaanbod, gaat het echter niet om een tijdelijke functie. De woonunit geldt in dergelijke gevallen als een volwaardige woning en moet dus bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag ook als dusdanig behandeld worden.
(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Betaalbaar wonen en het toestaan van een "zorgunit" beogen twee verschillende doelen. Met onze Beleidsmatig Gewenste Ontwikkeling beogen we concreet het tweede doel te realiseren. Het eerste doel trachten we op andere manieren te realiseren, waaronder de samenwerking met sociale huisvestigingsmaatschappijen en het vergunnen van een marktconform aanbod van wooneenheden door een goede mix na te streven.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Moet er een familiale relatie zijn tussen de bewoners van de vaste en de mobiele woning?

Een familiale relatie is niet vereist. Een zorgrelatie daarentegen wel.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Betaalbaarheid

Financiële impact voor de bewoner van een zorgunit

Apart huisnummer zoals bij zorgwonen met Z-nummer?

Enkel wanneer een zorgwoning voldoet aan de voorwaarden in artikel 4.1.1 18° VCRO, gelden de algemene principes in §1 van de algemene onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters niet en worden de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid als een afzonderlijk gezin beschouwd, terwijl deze toch worden ingeschreven onder hetzelfde huisnummer als de bewoners van de hoofdwooneenheid (wooncode (LOG.) 01 in het I.T. 140) – De zogenaamde "Z-code".

Een mobiele zorgunit voldoet niet aan de voorwaarden in 4.1.1 18° VCRO en valt bijgevolg niet onder deze uitzonderingregeling. Het toekennen van een Z-Code aan een mobiele zorgunit is bijgevolg niet mogelijk.

Het is mogelijk om een volwaardig huisnummer toe te kennen aan de zorgunit, maar dit betreft een gemeentelijke bevoegdheid. Het gemeentebestuur neemt de beslissing om al dan niet een afzonderlijk huisnummer aan de woning toe te kennen.

Indien een huisnummer toegekend wordt, gaat de unit als volwaardige woning gaat gelden. Het is dan ook nodig dat in de vergunning strikte voorwaarden worden opgelegd om het mobiele en tijdelijke karakter van de zorgunit te waarborgen, als vanuit de ruimtelijke context een permanente volwaardige tweede woning ongewenst is.

Zo voorziet de stad Hasselt in haar gemeentelijk reglement met betrekking tot mobiele zorgunits, dat bewoners van een mobiele zorgunit enkel in aanmerking komen voor een voorlopige inschrijving in het bevolkingsregister. De woonunit krijgt hetzelfde adres als de hoofdwoning, voorafgegaan door een letter T, die wijst op het tijdelijke karakter, maar toch een onderscheid maakt met de Z-code die gebruikt wordt voor zorgwoningen.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Volgens art. 4.1.1.18° VCRO is een tijdelijke zorgunit niet mogelijk en kan enkel zorgwonen volgens deze definitie.
Wat zijn de gevolgen hiervan voor diegene welke een tijdelijke zorgunit vergund hebben gekregen?
Krijgen zij hun toelagen, ook al wonen zij niet in een échte zorgwoning zoals omschreven in voornoemd artikel? Of worden zij beschouwd als één gezin en worden een aantal tegemoetkomingen verlaagd tot deze van samenwonend?

Wanneer een zorgwoning voldoet aan de voorwaarden in artikel 4.1.1 18° VCRO, gelden de algemene principes in §1 van de algemene onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters niet en worden de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid als een afzonderlijk gezin beschouwd, terwijl deze toch worden ingeschreven onder hetzelfde huisnummer als de bewoners van de hoofdwooneenheid (wooncode (LOG.) 01 in het I.T. 140). Het beschouwd worden als 2 gezinnen brengt met zich mee dat beide gezinnen afzonderlijk worden belast. Het wonen in een zorgwoning heeft hierdoor geen nadelig effect op sociale uitkeringen of sociale voordelen zoals bv. studietoelagen, werkloosheidsuitkering, ...

Aangezien een mobiele unit niet voldoet de voorwaarden in artikel 4.1.1 18° VCRO geldt de uitzonderingsregeling zoals bij zorgwoningen waarbij 2 gezinnen ingeschreven kunnen worden op 1 adres hier niet.

In veel gevallen kennen gemeentebesturen geen apart huisnummer toe aan de zorgunit, waardoor de inwoners van de unit op hetzelfde adres als de bewoners van de hoofdwoning ingeschreven worden. Ze worden in dergelijke gevallen dus niet beschouwd als apart gezin en dit heeft soms nadelige gevolgen zoals een lagere uitkering aangezien men dan beschouwd wordt als samenwonend.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Beleid/Regelgeving

Drempels?

Welke regelgevende drempels/belemmeringen worden er op dit moment ondervonden om ze breed uit te rollen?

De knelpunten in de ruimtelijke ordening situeren zich vooral op het vlak van de bestaande lokale bestemmingsplannen en verkavelingen. Bestaande Bijzondere Plannen van Aanleg (BPA’s) zijn dikwijls verouderd, te gedetailleerd en/of weinig flexibel. Oudere plannen bevatten vaak stedenbouwkundige voorschriften die rendementsverhoging op een perceel bemoeilijkt. Sinds de codextrein is het echter mogelijk om af te wijken van voorschriften van BPA’s en RUP’s ouder dan 15 jaar en vormen ook verkavelingsvoorschiften ouder dan 15 jaar geen weigeringsgrond meer.

Verdichting door de creatie van bijkomende woongelegenheden en bouwen of wonen in tweede orde is evenwel niet op alle locaties gewenst Daarom werd met het verzameldecreet van 2019 artikel 4.4.9/1 van de VCRO aangepast zodat de gemeente een gebiedsgerichte afweging kan maken, op dubbel vlak.

De gemeenteraad kan los van concrete vergunningsaanvragen beslissen om de stedenbouwkundige voorschriften van een BPA die de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen niet in de weg staan en die de ruimtelijke kwaliteit op die plaats garanderen te behouden als weigeringsgrond. Het behouden van de stedenbouwkundige voorschriften als weigeringsgrond heeft wel betrekking op het BPA in zijn geheel.

Gemeenten kunnen bepalen welke BPA’s niet in aanmerking komen voor de afwijkingsbepaling, deze BPA’s moeten nog geen 15 jaar oud zijn.

In het kader van de beoordeling van een vergunningsaanvraag kan de vergunningverlenende overheid gemotiveerd verwijzen naar bepaalde voorschriften van een meer dan 15 jaar oude verkaveling, waarbij zij dan aangeeft dat die voorschriften nog steeds belangrijke actuele criteria omvatten om op die specifieke plaats de goede ruimtelijke ordening te motiveren.

Het plaatsen van een mobiele (zorg)unit op een locatie waar dit volgens de gemeente niet gewenst is, kan bijgevolg nog steeds geweigerd worden.

Wanneer een zorgwoning voldoet aan de voorwaarden in artikel 4.1.1 18° VCRO, gelden de algemene principes in §1 van de algemene onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters niet en worden de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid als een afzonderlijk gezin beschouwd, terwijl deze toch worden ingeschreven onder hetzelfde huisnummer als de bewoners van de hoofdwooneenheid (wooncode (LOG.) 01 in het I.T. 140). Het beschouwd worden als 2 gezinnen brengt met zich mee dat beide gezinnen afzonderlijk worden belast. Het wonen in een zorgwoning heeft hierdoor geen nadelig effect op sociale uitkeringen of sociale voordelen zoals bv. studietoelagen, werkloosheidsuitkering, ...

Aangezien een mobiele unit niet voldoet de voorwaarden in artikel 4.1.1 18° VCRO geldt de uitzonderingsregeling zoals bij zorgwoningen waarbij 2 gezinnen ingeschreven kunnen worden op 1 adres hier niet en zijn er soms wel nadelige financiële gevolgen.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Voorwaarden?

Kan een vergunning verleend worden in een verkaveling jonger dan 15 jaar, wanneer dit tegenstrijdig is met de verkavelingsvoorwaarden?

Neen, een vergunning kan slechts verleend worden indien deze in overeenstemming is met de geldende voorschriften voor het betreffende perceel

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Mag er een mobiele unit voorzien worden in zonevreemd gebied?

Bij zonevreemde woningen kunnen geen vrijstaande mobiele units vergund worden aangezien het aantal woongelegenheden niet mag vermeerderen.

Art. 4.4.12. VCRO

In alle bestemmingsgebieden geldt dat de vigerende bestemmingsvoorschriften op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een bestaande zonevreemde woning, op voorwaarde dat het aantal woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal. De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.

Een zorgwoning, die geïntegreerd is in de bestaande woning en een fysiek geheel vormt met de bestaande woning, kan dus wel toegestaan worden.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Worden woonwagens ook beschouwd als mobiele units?

Een woonwagen kan gebruikt worden als mobiele woonunit, maar indien deze bewoond wordt, is voor de plaatsing ervan eveneens een omgevingsvergunning vereist in navolging van artikel 4.2.1 VCRO.

Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen:

1° de hiernavolgende bouwwerken verrichten, met uitzondering van onderhoudswerken:
a) het optrekken of plaatsen van een constructie, 
b) het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat,
c) het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie;

[…]

5° een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor:
a) het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval,
b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens,
c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, in het bijzonder woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van het kamperen op een toeristisch logies dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het decreet van 5 februari 2016 betreffende het toeristische logies;

[…]

De vrijstelling waarvan sprake in artikel 2.1 van het vrijstellingenbesluit geldt immers niet indien de woonwagen bewoond wordt.

Artikel 2.1. (23/02/2017- ...)

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de volgende handelingen:

(…)

13° het plaatsen van één verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan worden gebruikt, zoals één woonwagen, kampeerwagen of tent, niet zichtbaar vanaf de openbare weg, zonder er effectief te wonen.

Van zodra de plaatsing van de mobiele zorgunit, of een woonwagen gebeurt met het oog op bewoning op die plaats, geldt er dus geen vrijstelling en wel een vergunningsplicht.

De vrijstelling van vergunning voor het plaatsen van verplaatsbare woonwagens, of verblijven, geldt enkel indien deze voorzien worden op daartoe toegewezen terreinen.

Artikel 8.4. (22/11/2018- ...)

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het plaatsen, verplaatsen, wijzigen of vervangen van verplaatsbare verblijven, ook al zijn ze bestemd om ter plaatse te blijven staan, en voor bijbehorende installaties, op voorwaarde dat:

1° de verblijven zijn geplaatst op een terreingerelateerd logies dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;

2° de plaatsing, verplaatsing, wijziging of vervanging niet strijdig is met de voorwaarden, vermeld in punt 1°.

In het eerste lid wordt verstaan onder:

1° terreingerelateerd logies: een toeristisch logies als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristisch logies;

2° verplaatsbaar verblijf: een verblijf als vermeld in artikel 1, 6°, van het voormelde besluit;

3° bijbehorende installaties: de aanbouwen en constructies, vermeld in punt B, 3, van bijlage 6 bij het voormelde besluit, die niet geplaatst zouden zijn als er geen verplaatsbaar verblijf was geplaatst of als er niet in een verplaatsbaar verblijf wordt voorzien.

Artikel 8.5. (23/02/2017- ...)

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het plaatsen of verplaatsen van één of meer woonwagens, als vermeld in artikel 2, § 1, 33°, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, op een residentieel woonwagenterrein of doortrekkersterrein voor woonwagenbewoners, als vermeld in artikel 1, 4° en 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2000 houdende de subsidiëring van de verwerving, de inrichting, de renovatie en de uitbreiding van woonwagenterreinen voor woonwagenbewoners, op voorwaarde dat het terrein in kwestie vergund of hoofdzakelijk vergund is.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Moeten het wel mobiele units zijn? Waarom niet een tijdelijke zorgunit toelaten in een losstaand bijgebouw (bv. garage) dat omgebouwd wordt? Is immers ook ruimte-efficiënt.

Het inrichten van bestaande bijgebouwen tot een zorgwoning behoort eveneens tot de mogelijkheden. Vanuit rendementsoverwegingen geniet dergelijke functiewijziging de voorkeur op de oprichting van een bijkomend bijgebouw.

De functiewijziging van een bijgebouw naar een voor verblijf bestemd bijgebouw is vergunningsplichtig. Bovendien verhoogt bij de creatie van een woning het aantal woongelegenheden.

Het besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (16/07/2010) schrijft het volgende over handelingen in, aan en bij woningen.

Artikel 2.1. (23/02/2017- ...)

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de volgende handelingen:

[…]

2° handelingen zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume aan zijgevels, achtergevels en daken;

[…]

4° binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken;

[…]

Artikel 2.2. (29/09/2016- ...)

De vrijstelling, vermeld in artikel 2.1, geldt alleen als de handelingen voldoen aan al de volgende voorwaarden:

1° de handelingen, vermeld in artikel 2.1, 1° tot 5°, 8°, 9°, 11° tot 14° en 16°, worden volledig uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;

2° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;

3° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;

4° ...

5° de handelingen, vermeld in art. 2.1, 8°, 11°, 12° en 13° zijn niet gesitueerd in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied.

Indien een bestaand bijgebouw verbouwd wordt tot een bijgebouw dat voor verblijf bestemd is, zoals een tuinkantoor of een zorgwoning vindt een functiewijziging plaats, waardoor een vergunning aangevraagd moet worden.

Het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (05/09/2008) stelt dat het uitoefenen van een aan wonen complementaire functie, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid, enkel vrijgesteld zijn van vergunning indien ze uitgeoefend worden in een woongebouw dat gelegen is in woongebied. De woonfunctie moet hierbij behouden blijven als hoofdfunctie. De complementaire functie moet beperkt blijven tot maximaal 100 m² en mag bovendien niet strijdig zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Het uitvoeren van een aan wonen complementaire functie in een bijgebouw is dus vergunningsplichtig. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of het bijgebouw gebruikt wordt door een particulier of zelfstandige.

Het feit dat het uitvoeren van deze functies in een bijgebouw vergunningsplichtig zijn, wil echter niet zeggen dat ze per definitie verboden zijn. Het kan natuurlijk wel zijn dat, door specifieke voorschriften inzake afmetingen, bijvoorbeeld in verkavelingsvergunningen, je botst op het feit dat je geen vergunning kunt krijgen. Naast de voorschriften voor ruimtelijke ordening, gelden er ook nog andere regels voor woningen zoals de afvoer van huishoudelijk afvalwater (bv. afvoer van wasbak of douche). Het zo laten weglopen in de tuin is verboden. Idem voor toilet.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Zijn meerdere units op 1 grond, geclusterd en gestapeld mogelijk binnen dit kader?
Maakt een instantie daarvan een probleem?

Elke aanvraag zal steeds getoetst moeten worden aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Een vergunning zal steeds enkel mogelijk zijn indien deze in overeenstemming is met de geldende voorschriften voor het betreffende perceel.

De oprichting dient met respect te gebeuren voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en moet verantwoord zijn in de betrokken omgeving. Deze afweging gebeurt bij de beoordeling van de omgevingsvergunningsaanvraag en behoort tot de gemeentelijke bevoegdheid.

Wanneer men meerdere units wil oprichten bij een bestaande woning, zal men deze bij de vergunningsaanvraag behandelen als andere bijgebouwen – met dien verstande dat de units gericht zijn op verblijf. Een ruimte waar men zich verschillende uren per dag bevindt (zoals een tuinkantoor) of die bewoond wordt (zoals een woonunit) heeft een ruimere impact op de omgeving dan vb. een tuinberging waar je een paar keer per week kortstondig naar toe gaat.

De oprichting van dergelijk bijgebouw dient met respect te gebeuren voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en moet verantwoord zijn in de betrokken omgeving. Deze afweging gebeurt bij de beoordeling van de omgevingsvergunningsaanvraag.

Indien het om verschillende units gaat die gelden als hoofdgebouw, en elk apart bedoeld zijn als woning op zich, moet men deze bij de vergunningsaanvraag als dusdanig behandelen en beoordelen.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Indien de unit < 40 m², is er dan ook een vergunning nodig? Indien bv. gebruikt als thuiskantoor?

Tuinkantoren en andere voor verblijf bestemde bijgebouwen zijn steeds vergunningsplichtig, ook indien ze kleiner zijn dan 40 m². De medewerking van een architect is ook steeds vereist. Voor vrijstaande bijgebouwen kleiner dan 50 m² geldt evenwel geen EPB-plicht.

Het feit dat ze vergunningsplichtig zijn betekent niet dat ze per definitie niet mogelijk zijn, maar wel dat een bijkomende afweging noodzakelijk is door het gemeentebestuur om na te gaan of de plaatsing van dergelijke unit op die plaats wenselijk is.

Het besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (16/07/2010) schrijft het volgende over handelingen in, aan en bij woningen.

Artikel 2.1. (23/02/2017- ...)

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de volgende handelingen:

[…]

11° van het hoofdgebouw vrijstaande niet voor verblijf bestemde bijgebouwen, met inbegrip van carports, in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 1 meter van de perceelsgrenzen. De vrijstaande bijgebouwen kunnen in de achtertuin ook op of tegen de perceelsgrens geplaatst worden als ze tegen een bestaande scheidingsmuur opgericht worden en als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De totale oppervlakte blijft beperkt tot maximaal 40 vierkante meter per goed, met inbegrip van alle bestaande vrijstaande bijgebouwen. De maximale hoogte is beperkt tot 3,5 meter;

[…]

Artikel 2.2. (29/09/2016- ...)

De vrijstelling, vermeld in artikel 2.1, geldt alleen als de handelingen voldoen aan al de volgende voorwaarden:

1° de handelingen, vermeld in artikel 2.1, 1° tot 5°, 8°, 9°, 11° tot 14° en 16°, worden volledig uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;

2° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;

3° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;

4° ...

5° de handelingen, vermeld in art. 2.1, 8°, 11°, 12° en 13° zijn niet gesitueerd in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied.

De vrijstelling waarvan sprake in artikel 2.1 11° geldt voor woningbijgebouwen en niet voor gebouwen die ook een woonfunctie herbergen. Er wordt gedoeld op bijgebouwen die in functie staan van bijvoorbeeld tuinonderhoud, tuinontspanning (vb tuinberging, poolhouse, …) of opslag (garage, carport, fietsenstalling, …). “Niet voor verblijf bestemde bijgebouwen” moet dus ruimer geïnterpreteerd worden dan “ niet bestemd voor huisvesting”. In een arrest van 10 maart 2015 (RvVb nr. A/2015/0134) stelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat een “woningbijgebouw” te onderscheiden is van een “woongebouw”. Een “woningbijgebouw” moet volgens de Raad begrepen worden als “een gebouw dat behoort bij een woning en waarin ondergebracht wordt wat daar niet geplaatst kan worden of op zijn plaats is” en een “woongebouw” als “een gebouw dat geheel of grotendeels voor woondoeleinden wordt gebruikt”.

Een ruimte waar men zich verschillende uren per dag bevindt, zoals een tuinkantoor, heeft een ruimere impact op de omgeving dan vb. een tuinberging waar je een paar keer per week kortstondig naar toe gaat. De oprichting van dergelijk bijgebouw dient met respect te gebeuren voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en moet verantwoord zijn in de betrokken omgeving. Deze afweging gebeurt bij de beoordeling van de omgevingsvergunningsaanvraag.

Het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (05/09/2008) stelt dat het uitoefenen van een aan wonen complementaire functie, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid, enkel vrijgesteld zijn van vergunning indien ze uitgeoefend worden in een woongebouw dat gelegen is in woongebied. De woonfunctie moet hierbij behouden blijven als hoofdfunctie. De complementaire functie moet beperkt blijven tot maximaal 100 m² en mag bovendien niet strijdig zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Het uitvoeren van een aan wonen complementaire functie in een bijgebouw is dus vergunningsplichtig. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of het bijgebouw gebruikt wordt door een particulier of zelfstandige.

Het feit dat het uitvoeren van deze functies in een bijgebouw vergunningsplichtig zijn, wil echter niet zeggen dat ze per definitie verboden zijn. Het kan natuurlijk wel zijn dat, door specifieke voorschriften inzake afmetingen, bijvoorbeeld in verkavelingsvergunningen, je botst op het feit dat je geen vergunning kunt krijgen. Naast de voorschriften voor ruimtelijke ordening, gelden er ook nog andere regels voor woningen zoals de afvoer van huishoudelijk afvalwater (bv. afvoer van wasbak of douche). Het zo laten weglopen in de tuin is verboden. Idem voor toilet.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Wat met moeilijk bereikbare percelen/achtertuinen?

Leveranciers van modulaire units beschikken doorgaans over de nodige oplossingen voor zulke situaties.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Wat als de zorg nog nodig is na die 10 jaar? Bv. voor een mindervalide zoon/of dochter?

We kennen een vergunning toe voor de duur van de zorgrelatie (zie art. 4), met een absoluut maximum van 10 jaar, waarbij de aanvrager op het scharniermoment van 5 jaar terug de nodige documenten moet voorleggen waaruit het actuele karakter van de zorgrelatie blijkt. Uiteraard kun je na die periode een nieuwe aanvraag indienen voor zover nog is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden. Op die manier beogen we een evenwicht te bereiken tussen de gemiddelde duur van een zorgrelatie en het handhavingsaspect waarbij we een zekere mate van opvolging/controle inbouwen.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Wat met het parkeergegeven? Eveneens aanpassing parkeerverordening?

Het is niet de bedoeling dat de unit aanleiding geeft tot extra parkeerplaatsen en dus extra verharding. Dit is uitdrukkelijk verboden in onze BGO.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Handhaving

Hoe kun je de tijdelijkheid van een unit garanderen? Stel dat de ene functie van een woonunit (zorg voor ouderen) overgaat naar een andere functie (extra kamer voor kinderen die nog thuis wonen).

Tenzij het gemeentebestuur waar men de woonunit wenst te plaatsen een eigen reglement goedkeurde, bestaat voor het plaatsen van tijdelijke mobiele units geen specifieke regelgeving ruimtelijke ordening. Elke vergunningsaanvraag dient dus behandeld te worden als een aanvraag voor een vrijstaand bijgebouw waar wel verblijf mogelijk is.

Indien uit de aanvraag een tijdelijk karakter verantwoord kan worden (zoals bijvoorbeeld voor een mobiele zorgwoning of wooncontainer), kan er een omgevingsvergunning voor een bepaalde duur voor afgeleverd worden conform artikel 68 tweede lid, 8° van het omgevingsvergunningsdecreet. De vergunningsbeslissing vermeldt dan de duur van de vergunning en de reden daarvoor. De vergunningsduur begint op het ogenblik dat gebruik gemaakt mag worden van de omgevingsvergunning.

Naast een bepaalde geldigheidsduur kan een vergunningverlenende overheid nog andere voorwaarden opleggen. Voorwaarden hebben tot doel het aangevraagde vergunbaar te maken, door maatregelen op te leggen waardoor verenigbaarheid kan worden bereikt met stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of de goede ruimtelijke ordening.

Met andere woorden een vergunningverlenende overheid kan een voorwaarde opleggen indien zij van mening is dat het aangevraagde niet voor vergunning in aanmerking komt, tenzij bepaalde voorwaarden worden nageleefd. Door het opleggen van een voorwaarde geeft de vergunningverlenende overheid te kennen dat zonder deze voorwaarde het aangevraagde niet vergunbaar is (RvVb 9 augustus 2016, nr. RvVb/A/1516/1423).

Er is slechts sprake van een vergunde constructie wanneer de opgelegde voorwaarden worden nageleefd. De voorwaarden maken integraal deel uit van de vergunning. (Zie RvS 14 januari 2010, nr. 199.512, Van Den Houte e.a.). Het niet (langer) naleven van een voorwaarde kan dus op dezelfde wijze gehandhaafd worden als bij het niet of in strijd uitvoeren van/met de vergunning zelf.

Van zodra geldigheidsduur of een van deze voorwaarden (vb. het aantonen van een zorgrelatie) niet langer voldaan zijn, is de vergunning niet meer geldig. Men dient dan een nieuwe vergunning aan te vragen of de woonunit te verwijderen. Doet men dit niet, kan handhavend opgetreden worden.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Het tijdelijke gaat bij de Vlaming na de vastgestelde periode meestal automatisch over naar een permanente situatie. Handhaving is dan belangrijk maar zeer moeilijk. Hoe wordt dit bekeken?

Van zodra geldigheidsduur of een van de voorwaarden (vb. het aantonen van een zorgrelatie) niet langer voldaan zijn, is de vergunning niet meer geldig. Men dient dan een nieuwe vergunning aan te vragen of de woonunit te verwijderen. Doet men dit niet, kan handhavend opgetreden worden.

In het geval van een overtreding, worden de overtreders aangemaand om de schending ongedaan te maken. Indien de aanmaning zonder gevolg blijft, zal er een proces-verbaal worden opgesteld.

Gelijktijdig kan ook een besluit genomen worden om bestuurlijke maatregelen op te leggen gericht op herstel. Een proces-verbaal kan ten slotte leiden tot een strafrechtelijke sanctie of tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

We trachten het beoogde doel te bereiken door enerzijds zo duidelijk mogelijke voorschriften en toepassingsvoorwaarden op te stellen (vandaar de uitwerking als BGO en o.m. de specifieke voorwaarden die zijn gesteld aan de constructie), de vergunning in de tijd te beperken waarbij we een tussentijds controlemoment inbouwen of nog voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden (op 5 jaar) en waarbij tot slot een duidelijk handhavingstraject is uitgewerkt in art. 6. Dit zullen we opnemen in de voorwaarden waaronder we de tijdelijke vergunning toekennen.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Wat als men al van tevoren weet dat men eigenlijk permanent in zo'n unit wil wonen? Eventueel zelfs met meerdere units/gezinnen?

De woonunit geldt hier als volwaardige en permanente woning. In dergelijke gevallen gaat men best op zoek naar een bouwgrond waar de stedenbouwkundige voorschriften het oprichten van één of meerdere units niet uitsluit.

Elke aanvraag zal steeds getoetst moeten worden aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Een vergunning zal steeds enkel mogelijk zijn indien deze in overeenstemming is met de geldende voorschriften voor het betreffende perceel. De oprichting dient met respect te gebeuren voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en moet verantwoord zijn in de betrokken omgeving. Deze afweging gebeurt bij de beoordeling van de omgevingsvergunningsaanvraag en behoort tot de gemeentelijke bevoegdheid.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

De unit beoogt enkel een tijdelijk karakter te hebben wat zich veruitwendigt in het type constructie en de beperkte duur van de vergunning. Na afloop van de vergunningsduur zal een herevaluatie van de toepassingsvoorwaarden moeten gebeuren. Voor een permanente oplossing zijn er andere mogelijkheden.

(Annelies Maes, juriste stad Hasselt)

Naar het overzicht

Mag daar een mobiele woonunit geplaatst worden naast een woning waar een onbebouwd perceel (eigendom) beschikbaar is?

Elke aanvraag zal steeds getoetst moeten worden aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Een vergunning zal steeds enkel mogelijk zijn indien deze in overeenstemming is met de geldende voorschriften voor het betreffende perceel.

De oprichting van dergelijk bijgebouw dient met respect te gebeuren voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en moet verantwoord zijn in de betrokken omgeving. Deze afweging gebeurt bij de beoordeling van de omgevingsvergunningsaanvraag en behoort tot de gemeentelijke bevoegdheid.

(Emilie Verwimp, beleidsmedewerker Omgeving Vlaanderen)

Naar het overzicht

Herbekijk het webinar van 12 juni 2020
Webinar
Webinar

Nieuws

vrijdag, 18 september 2020
Onlangs keurde de provincieraad het reglement voor de subsidiëring van innovatieve projecten wonen goed. Aanleiding genoeg om een open projectoproep te lanceren! Doel: nieuwe woonvormen realisereren...
vrijdag, 18 september 2020
Woonacademie
Vrijdag 4 september vond het derde webinar van de Woonacademie plaats met als thema “Wonen: een huis, een thuis”. We gingen samen met stadsantropologe Ruth Soenen in dialoog met de bouwsector over het...
donderdag, 10 september 2020
Blauwalgen in het water
Een onderzoek van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) op 9 september 2020 heeft aangetoond dat de waargenomen blauwalgengroei in het Kanaal Briegden-Neerharen potentieel toxisch is. Daarom geldt er...